Nietzsche spreekt in Het plezier van de tekst

work in progress

 

De aanwezigheid van Nietzsche

In de introductie van The Gentlest Law beargumenteert Armine Mortimer dat Nietzsche zwaar doorklinkt in Het plezier van de tekst. Nietzsche is een duidelijke intertext:

"Certain intertexts insist. The writings of Nietzsche are the most important, the Nietzsche who dared to "dis-course from brilliance to brilliance, from abyss to abyss" (GV 72) that French culture has lacked; who formulated the "indifference to science" that has become very important to Barthes (GV Ill); who gave to nihilism a definition that The Pleasure of the Text rests on; whose subject is fictive; who is cited most in The Pleasure of the Text-and the most often occulted. Quotations without quotation marks are not the only traces of this rejection of acknowledgment or attribution; there are references that are completely unmarked, as if Nietzsche were a textual space in which The Pleasure of the Text functions. What comes to Barthes from reading Nietzsche is this: "A kind of music, a pensive sonority, a more or less dense play of anagrams. (I had my head full of Nietzsche, whom I had just been reading; but what I wanted, what I was trying to collect, was a song of sentence-ideas: the influence was purely prosodic)" (RB 107). But the pleasure of the text never excuses, never explains itself." (Mortimer the gentlest law p 12-13) De inleiding vervolgt met nog twee pagina's aan voorbeelden (p 12-15) Zie hiervoor verder de inleiding van the gentlest law.

In het artikel L'écriture par soustraction: le manuscrit du Plaisir du texte uit 1995 onderstreept Mortimer mog eens hoe vaak Nietzsche in het plezier van de tekst te gast is:

"Nietzsche est la grande référence de ce moment de la pensée barthésienne, comme l'ont reconnu plusieurs lecteurs, comme l'a démontré mon analyse des intertextes dans The Gentlest Law, et comme Barthes l'a signalé lui-même dans la table d'héritages dans Roland Barthes. Mais si Nietzsche est très présent, les marques de cette influence sont progressivement effacées du texte. Le philosophe « disparaît» à tous les niveaux: les sources, le nom propre, l'intertexte et les guillemets de la citation. J'ai montré dans mon livre combien d'intertextes nietzschéens se cachent dans des citations non attribuées et parfois sans guillemets. Le manuscrit révèle en plus que Barthes a souvent éliminé le nom de Nietzsche." (Mortimer 1995 p 166)

Nietzsche is niet alleen letterlijk in de tekst aanwezig. Mortimer ziet ook overeenkomsten in bepaalde stilistische kenmerken en thematieken (het rhetorische karakter van taal, de affirmatie van het lichaam, het nihilisme e.d.). In een later stadium wil ik daar nog op terug komen (work in progress).

Nietsche is in tenminste achttien van de 45 paragrafen aanwezig. Vooral de nagelaten fragmenten die gepubliceerd zijn in La volonté de Pouvoir (Der wille zur Macht) klinken in de fragmenten door.

Aanpak inventarisatie

Op deze pagina wil ik eerst de verwijzingen naar Nietzsche inventariseren. Hierbij worden de aforismen waaruit geciteerd wordt in zijn geheel gepresenteerd. Niet om een bron of oorsprong te vinden maar vooralsnog om Nietzsche luider door te laten klinken. Daarna zal op meer systematische wijze de connectie Barthes - Nietzsche onderzocht worden (work in progress)

Per paragraaf uit Het plezier van de tekst wordt aangegeven waar of hoe Nietzsche wordt geciteerd. Ik neem hierbij the gentlest law als uitgangspunt en vul deze zo nodig aan. Vervolgens wordt de tekst van Nietzsche erbij gezocht,. Dit laatste is niet eenvoudig. Vaak verwijst Mortimer naar the Will to Power. De hier gehanteerde indeling is een ander dan in veel van de huidige Duitse en Nederlandse uitgaven.

Dit geeft me wel een kans om Nietzsche op een geheel andere wijze te lezen.

De paragrafen uit Het plezier van de tekst die Nietzsche doorkruisen zijn (tenminste) de volgende:

De Nietzsche annotaties

Affirmatie - 1

Het citaat 'Ik zal mijn blik afwenden.. (Je détournerai mon regard..) is vergelijkbaar met het volgende aforisme van Nietzsche uit de Vrolijke Wetenschap (boek 4 aforisme 276)

Voor het nieuwe jaar. – Nog leef ik, nog denk ik: ik moet nog leven, want ik moet nog denken. Sum, ergo cogito: cogito, ergo sum. Op deze dag staat iedereen zich toe zijn wens en liefste gedachten uit te spreken. Dus wil ik ook vertellen wat ik mij van mijzelf wens en welke gedachte dit jaar als eerste bij me opkwam, - welke gedachte voor mij fundament, waarborg en lekkernij voor de rest van leven moet zijn! Ik wil steeds beter leren het noodzakelijke van de dingen als mooi te zien: – dan zal ik een van die mensen zijn die de dingen mooi maken. Amor fati laat dat voortaan mijn liefde zijn! Ik wil geen oorlog voeren tegen het lelijke. Ik wil niet aanklagen, ik wil niet eens de aanklagers aanklagen! Laat wegkijken mijn enige ontkenning zijn! En a met al, en over het geheel genomen: ik wil ooit nog eens alleen maar een ja-zegger zijn! (Vrolijke Wetenschap, van Tilt, 2018 p.193)

Ich will nicht anklagen, ich will nicht einmal die Ankläger anklagen. Wegsehen sei meine einzige Verneinung! Und, Alles in Allem und Grossen; ich will irgendwann einmal Nur noch ein Ja-Sagender sein! (KSA3 p.521)

Babel - 1

Nietzsche:
In "de filosofie in het tragische tijdperk der Grieken" schrijft Nietzsche dat Aristoteles Herakleitos voor het tribunaal van de rede beticht van de ergste misdaad, namelijk tegen de wet van de tegenspraak te hebben gezondigd. De wet van de tegenspraak luidt als volgt: iets kan niet tegelijkertijd en onder hetzelfde gezichtspunt zó en niet-zó zijn.:

"Herakleitos bezit de hoogste kracht van intuïtieve voorstelling als zijn koninklijk bezit; tegenover die andere wijze van voorstellen, die in begrippen en logische combinaties plaatsvindt, dus tegenover de rede, stlet hij zich koel, ongevoelig, om niet te zeggen vijandig op en schijnt er genoegen in te scheppen die met een inituïtief verworven waarheid te kunnen tegenspreken; en dat doet hij in zinnen als 'alles heft ten alle tijde het tegengestelde in zich', zó onbeschroomd dat Aristoteles hem voor het tribunaal van de rede beticht van de ergste misdaad, namelijk tegen de wet van de tegenspraak te hebben gezondigd. (uit: Friedrich Nietzsche, Waarheid en Cultuur p 165, Boom 1983)

In Götzen-Dämmerung Hoofdstuk: Het probleem van Socrates aforisme 7 schrijft Nietzsche het volgende:
– Is de ironie van Socrates uitdrukking van opstandigheid? Van plebs-achtig ressentiment? Verlustigt hij zich, als onderdrukte, in zijn eigen woestheid, wanneer hij de dolkstoten van het syllogisme plaatst? Wreekt hij zich op de voornamen, die door hem gefascineerd worden? – Als dialecticus heeft men een onbarmhartig werktuig in handen; men kan er de tiran mee uithangen. Door zijn tegenstander te overwinnen compromitteert men hem. De dialecticus laat het aan zijn tegenstander over te bewijzen dat hij geen idioot is: hij kan iemand woedend maken en tegelijkertijd hulpeloos. De dialecticus maakt het intellect van zijn tegenstander krachteloos. – Is de dialectiek bij Socrates enkel een vorm van wraak? (Afgodenschemering, arbeiderspers 2011)

Ist die Ironie des Sokrates ein Ausdruck von Revolte? von Pöbel-Ressentiment? genießt er als Unterdrückter seine eigne Ferocität in den Messerstichen des Syllogismus? Rächt er sich an den Vornehmen, die er fascinirt? - Man hat, als Dialektiker, ein schonungsloses Werkzeug in der Hand; man kann mit ihm den Tyrannen machen; man stellt bloß, indem man siegt. Der Dialektiker überläßt seinem Gegner den Nachweis, kein Idiot zu sein: er macht wüthend, er macht zugleich hülflos. Der Dialektiker depotenzirt den Intellekt seines Gegners. - Wie? ist Dialektik nur eine Form der Rache bei Sokrates? (KSA6 p 70)

Brio - 1

Dit citaat komt uit Nietzsche's Herwaardering van alle waarden, Boek 1 hst 2 aforisme 174

[174]
Een 'ding als zodanig' even verkeerd als een 'zin als zodanig', een 'betekenis als zodanig'. Er is geen 'feitelijke toestand als zodanig', maar er moet altijd eerst een zin in gelegd worden opdat er een feitelijke toestand kan zijn.
Het 'wat is dat?' is een zinvaststelling vanuit iets anders gezien. De 'essentie', de 'wezenheid' is iets perspectivisch en vooronderstelt al een veelheid. Eraan ten grondslag ligt altijd 'wat is dat voor mij?' (voor ons, voor alles wat leeft enz.).
Een ding zou pas benoemd zijn als alle wezens ten aanzien ervan hun vraag 'wat is dat?' gesteld en beantwoord zouden hebben. Gesteld dat één enkel wezen, met zijn eigen relaties en perspectieven ten aanzien van alle dingen, ontbrak, dan is het ding nog steeds niet gedefinieerd' .
Kortom: het wezen van een ding is ook maar een mening over het 'ding'. Of liever: het 'gaat door voor' is het eigenlijke 'het is', het enige dat is'.
Men mag niet vragen: 'Wie interpreteert dan?' maar het interpreteren zelf, als een vorm van de wil tot macht, heeft [de kwaliteit van] bestaan (doch niet als een 'zijn', maar als een proces, een worden) als affect.
Het ontstaan van de 'dingen' is geheel en al het werk van de voorstellende, denkende, willende, gewaarwordende personen. Het begrip 'ding' zelf evengoed als alle eigenschappen. - Zelfs 'het subject' is zoiets geschapens, een 'ding' als alle andere: een vereenvoudiging om de kracht die aanneemt, verzint, denkt als zodanig te benoemen, ter onderscheiding van alle afzonderlijke aannemen, verzinnen, denken zelf. Dus het vermogen ter onderscheiding van al het afzonderlijke benoemd: in wezen het handelen met het oog op al het nog te verwachten handelen (handelen en de waarschijnlijkheid van gelijksoortig handelen) gebundeld. (Herwaardering van alle waarden, Boom 1992 p85-86. zie ook Nagelaten fragmenten, deel 6 SUN, 2001, p112-113).

Zie ook het fragment subject waarin uit hetzelfde aforisme (Boek 1 hst 2 af 174) wordt geciteerd.

Originele Duitse versie (zonder cursiveringen):
[2-149] Ein "Ding an sich" ebenso verkehrt wie ein "Sinn an sich", eine "Bedeutung an sich". Es giebt keinen "Tatbestand an sich", sondern ein Sinn muß immer erst hineingelegt werden, damit es einen Tatbestand geben kann.
Das "was ist das?" ist eine Sinn-Setzung von etwas Anderem auf gesehen. Die "Essenz", die "Wesenheit" ist etwas Perspektivisches und setzt eine Vielheit schon voraus. Zu Grunde liegt immer "was ist das für mich?" (für uns, für alles, was lebt usw.).
Ein Ding wäre bezeichnet, wenn an ihm erst alle Wesen ihr "was ist das?" gefragt und beantwortet hätten. Gesetzt, ein einziges Wesen, mit seinen eigenen Relationen und Perspektiven zu allen Dingen, fehlte: und das Ding ist immer noch nicht "definiert".

[2-150] Kurz, das Wesen eines Dings ist auch nur eine Meinung über das "Ding". Oder vielmehr: das "es gilt" ist das eigentliche "es ist", das einzige "das ist".

[2-151] Man darf nicht fragen: »wer interpretiert denn? « sondern das Interpretieren selbst, als eine Form des Willens zur Macht, hat Dasein (aber nicht als ein »Sein«, sondern als ein Prozeß, ein Werden) als ein Affekt.

[2-152] Die Entstehung der »Dinge« ist ganz und gar das Werk der Vorstellenden, Denkenden, Wollenden, Empfindenden. Der Begriff »Ding« selbst ebenso als alle Eigenschaften. - Selbst »das Subjekt« ist ein solches Geschaffenes, ein »Ding« wie alle andern: eine Vereinfachung, um die Kraft, welche setzt, erfindet, denkt, als solche zu bezeichnen, im Unterschiede von allem einzelnen Setzen, Erfinden, Denken selbst. Also das Vermögen im Unterschiede von allem Einzelnen bezeichnet: im Grunde das Tun in Hinsicht auf alles noch zu erwartende Tun (Tun und die Wahrscheinlichkeit ähnlichen Tuns) zusammengefaßt. (KSA 12 p140-141)

Brio - 2

Mortimer (GL 75) signaleert een duidelijk spel met Nietzsche's The Will to Power (Der Wille zur Macht). Lacan gebruikte ook het Nietzschiaanse Volonté de jouissance in "Kant avec Sade" (Jacques Lacan Ecrits II, Seuil 1999 p243-269)

Lichaam - 1

Mortimer (GL 84) wijst op een verbinding met Nietzsche: "Several passages in Nietzsche deconstruct the "grammatical attitudes" of subject and object" Ze noemt twee voorbeelden.

36[26] 'Subject', 'object, 'predikaat' - die scheidingen zijn gemaakt en worden vervolgens als schemata over alle schijnbare feiten gestulpt. De verkeerde basisbevinding is dat ik geloof dat ik het ben die iets doet, die iets ondergaat, die iets 'heeft', die een eigenschap 'heeft'. Dit 'doen', 'ondergaan', hebben' ---(Friedrich Nietzsche, Nagelaten fragmenten, deel 5 SUN 2007 p444)

36[26] »Sübjekt«, »Objekt«, »Prädikat« - diese Trennungen sind gemacht und werden jetzt wie Schemata übergestülpt über alle anscheinenden Tatsachen. Die falsche Grundbeobachtung ist, daß ich glaube, ich bin's, der etwas tut, etwas leidet, der etwas »hat«, der eine Eigenschaft »hat«, (KSA 11 p562)

Morgenrood, tweede boek aforisme 120:
Ter geruststelling van de scepticus - "Ik weet in het geheel niet wat ik doe! Ik weet in het geheel niet wat ik doen moet!' - Je hebt gelijk, maar twijfel er niet aan: je wordt gedaan! Op ieder ogenblik! de mensheid heeft en alle tijde het actief en het passief verwisseld, - dat is haar eeuwige grammaticale blunder. (Morgenrood, Arbeiderspers 1977 p 98)

Zur Beruhigung des Skeptikers. - "Ich weiss durchaus nicht, was ich thue! Ich weiss durchaus nicht, was ich thun soll!" - Du hast Recht, aber zweifle nicht daran: du wirst gethan! in jedem Augenblicke! Die Menschheit hat zu allen Zeiten das Activum und das Passivum verwechselt, es ist ihr ewiger grammatikalischer Schnitzer. (Morgenröte Zweiter büch aforisme 120, KSA3 p113)

In La volonte de puissance (Paris: Gallimard, 1948), 2:297, Nietzsche writes: "What a difference, for instance, between the body that we feel, see, touch, fear and admire, and the 'body' the anatomist teaches!"

Oorlog - 1

Citaat is afkomstig uit het artikel Over waarheid en leugen in buiten-morele zin

"Zoals de Romeinen en Etrusken hun hemel door middel van starre wiskundige lijnen indeelden en een god, als in een templum, verbanden naar een aldus afgeperkte ruimte, zo heeft elk volk een dergelijk wiskundig verdeelde hemel van begrippen boven zich en denkt nu dat de waarheid verlangt dat elke begripsgod slechts in zijn eigen sfeer mag worden gezocht." (Nietzsche, Waarheid en cultuur, Boom 1983, p 116)

Wie die Römer und Etrusker sich den Himmel durch starre mathematische Linien zerschnitten und in einen solchermaassen abgegrenzten Raum als in ein templum einen Gott bannten, so hat jedes Volk über sich einen solchen mathematisch zertheilten Begriffshimmel und versteht nun unter der Forderung der Wahrheit, dass jeder Begriffsgott nur in seiner Sphäre gesucht werde. (KSA1 p882)

...waarheid van de talen
Ottmar (LT p436) geeft aan dat de definitie van waarheid uit het volgende fragment van Nietzsche afkomstig is:

Wat is waarheid dus? Een mobiel leger metaforen, metonymia's, antropomorfismen, kortom een som van menselijke relaties die op poëtische of retorische wijze zijn verheven, overgedragen en opgesierd, en die en volk na lang gebruik als vaststaand, canoniek en bindend voorkomen: waarheden zijn illusies waarvan men vergeten is dat ze illusies zijn geworden, munten die hun beeltenis hebben verloren en nu als metaal, niet meer als munten in aanmerking komen. (Nietzsche, Waarheid en cultuur, Boom 1983, p 114)

Was ist also Wahrheit? Ein bewegliches Heer von Metaphern, Metonymien, Anthropomorphismen kurz eine Summe von menschlichen Relationen, die, poetisch und rhetorisch gesteigert, übertragen, geschmückt wurden, und die nach langem Gebrauche einem Volke fest, canonisch und verbindlich dünken: die Wahrheiten sind Illusionen, von denen man vergessen hat, dass sie welche sind, Metaphern, die abgenutzt und sinnlich kraftlos geworden sind, Münzen, die ihr Bild verloren haben und nun als Metall, nicht mehr als Münzen in Betracht kommen. (KSA1 p880)

Modern - 4

Citaat is afkomstig uit het artikel Over waarheid en leugen in buiten-morele zin

Wat is waarheid dus? Een mobiel leger metaforen, metonymia's, antropomorfismen, kortom een som van menselijke relaties die op poëtische of retorische wijze zijn verheven, overgedragen en opgesierd, en die en volk na lang gebruik als vaststaand, canoniek en bindend voorkomen: waarheden zijn illusies waarvan men vergeten is dat ze illusies zijn geworden, munten die hun beeltenis hebben verloren en nu als metaal, niet meer als munten in aanmerking komen. (Nietzsche, Waarheid en cultuur, Boom 1983, p 114)

Was ist also Wahrheit? Ein bewegliches Heer von Metaphern, Metonymien, Anthropomorphismen kurz eine Summe von menschlichen Relationen, die, poetisch und rhetorisch gesteigert, übertragen, geschmückt wurden, und die nach langem Gebrauche einem Volke fest, canonisch und verbindlich dünken: die Wahrheiten sind Illusionen, von denen man vergessen hat, dass sie welche sind, Metaphern, die abgenutzt und sinnlich kraftlos geworden sind, Münzen, die ihr Bild verloren haben und nun als Metall, nicht mehr als Münzen in Betracht kommen. (KSA1 p880)

Wetenschap - 1

Dit citaat komt uit Herwaardering van alle waarden, tweede boek, hst 4 aforisme 292 / Nagelaten fragmenten voorjaar-herfst 1881:
Het is heel goed mogelijk dat Barthes dit fragment heeft gehaald uit Deleuze, Nietzsche et la philosophie, PUF 1962 hst 3.2 (p 77 in de Engelse vertaling).

11[293] Met het oog op al onze ervaring moeten we altijd sceptisch blijven en bijv. zeggen: we kunnen van geen enkele 'natuurwet' beweren dat dit eeuwig geldig is, we kunnen van geen enkele chemische kwaliteit beweren dat die eeuwig dezelfde blijft, we zijn niet verfijnd genoeg om de vermoedelijk absolute stroom van het gebeuren te zien: het blijvende bestaat slechts dankzij onze grove organen, die samenvatten en in hokjes plaatsen wat op die manier beslist niet bestaat.
De boom is elk moment iets nieuws: wij zijn het die aan de vorm vasthouden, omdat we de subtielste absolute beweging niet kunnen waarnemen: wij leggen een mathematische dwarsdoorsnede in de beweging, halen er hoe dan ook lijnen en vlakken bij, op basis van het intellect, dat bij uitstek dwaling is: de aanname van het gelijke en van iets blijvends, omdat wij alleen iets blijvends kunnen zien en bij iets overeenkomstig (gelijks) ons iets herinneren. Maar op zich is het anders: wij mogen onze scepsis niet op de essentie overdragen." (Friedrich Nietzsche, Nagelaten fragmenten, deel 3, SUN 2005 p419)

1881, 11[293] Im Hinsicht auf alle unsere Erfahrung müssen wir immer skeptisch bleiben und z.B. sagen: Wir können van keinem 'Naturgesetz' eine ewige Gültigkeit behaupten, wir können van keiner chemischen Qualität ihr ewiges Verharren behaupten, wir sind nicht fein genug, um dem mutmasslichen absoluten Fluss des Geschehens zu sehen: das Bleibende ist nur vermöge unserer groben Organe da, welche zusammenfassen und auf Flächen hinlegen, wo so gar nichts existiert.
Der Baum ist in jedem Augenblick etwas Neues: die Form wird van uns behauptet, weil wir die feinste absolute Bewegung nicht wahrnehmen können: wir legen eine mathematische Durchschnittslinie hinein in die absolute Bewegung,überhaupt Linien und Flächen bringen wir hinzu, auf der Grundlage des Intellekts, welches der Irrtum ist: die Annahme des Gleichen in des Beharrens, weil wir nur Beharrendes sehen können und nur bij Ähnlichem (Gleichem) uns erinnern. Aber an sich ist es anders: wir dürfen unsere Skepsis nicht in die Essenz übertragen. (KSA9 p554)

Zie ook Nietzsches artikel De filosofie in het tragische tijdperk der Grieken in: Friedrich Nietzsche, Waarheid en Cultuur, Boom 1983 p 167:
"Het eeuwige en enige worden, de volstrekte onbestendigheid van al het werkelijke dat voortdurend slechts werkt en wordt en niet is, zoals Herakleitos leert, is een vreselijke en bedwelmende voorstelling en qua invloed nog het meest verwant met de gewaarwording wadoor iemand bij een aardbeving het vertrouwen in de vaste grond verliest."

Subject - 1

Maurice Blanchot citeert Nietzsche in L'Entretien infini in het artikel L'expérience-limite, Gallimard 1969, p 245:
"Nietzsche s'exprime encore autrement: "Le monde: l'infini de l'interprétation (le déploiement d'une désignation à l'infini)." D'où l'obligation d'interpréter. Mais qui donc interprétera? Est-ce homme? Et quelle sorte d'homme? Nietzsche répond: "On n'a pas le droit de demander: 'qui donc est-ce qui interprète?' L'interpréter même, forme de la volonté de puissance, voilà ce qui a l'existence (non comme 'être' , mais comme 'processus', comme 'devenir') en tant que passion." Fragment riche d'énigmes. (p 245)

In een noot geeft Blanchot aan dat Nietzsche elders zegt dat "La volonté de puissance interprète", maar 'la volonté de Puissance ne saurait être sujet''.

Dit citaat komt uit Nietzsche's Herwaardering van alle waarden, Boek 1 hst 2 aforisme 174 p 85 / Nagelaten fragmenten, deel 6 SUN, 2001, p112-113.
Zie voor het citaat het fragment Brio


colofon | cookies | afkortingen