Paragraaf "Brio" uit Het plezier van de tekst

PvdT18
PT 24

Als ik bereid ben om een tekst volgens het plezier te beoordelen, kan ik me niet meer veroorloven te zeggen: deze is goed, die is slecht. Geen prijsuitreiking, geen kritiek, want die houdt altijd een tactische overweging in, een sociaal gebruik en heel vaak een denkbeeldige dekmantel. Ik mag niet afwegen, me inbeelden dat tekst te vervolmaken zou zijn, gereed om zijn intrede te doen in een spel van normatieve predikaten: dat is teveel van dit, te weinig van dat; de tekst (en dat geldt ook voor de zangstem) kan mij slechts dit allerminst adjectieve oordeel ontlokken: dat is het! En meer nog: dat is het voor mij! Dit 'voor mij' is nog subjectief, noch existentieel, maar Nietzscheaans ('... in de grond van de zaak is het altijd dezelfde vraag: wat is dat voor mij?...').

Het brio van de tekst (zonder welke er eigenlijk geen tekst bestaat) zou zijn wil tot genot zijn: juist daar waardoor hij de vraag overstijgt, het gebabbel achter zich laat en de klemmende greep van de adjectieven poogt los te maken, open te breken - die poorten van de taal waardoor het ideologische en het imaginaire in grote stromen binnendringen.


wat is dat voor mij? / Qu'est-ce que c'est pour moi?

Dit citaat komt uit Nietzsche's Herwaardering van alle waarden, Boek 1 hst 2 aforisme 174 p 85

[174]
Een 'ding als zodanig' even verkeerd als een 'zin als zodanig', een 'betekenis als zodanig'. Er is geen 'feitelijke toestand als zodanig', maar er moet altijd eerst een zin in gelegd worden opdat er een feitelijke toestand kan zijn.

Het 'wat is dat?' is een zinvaststelling vanuit iets anders gezien. De 'essentie', de 'wezenheid' is iets perspectivisch en vooronderstelt al een veelheid. Eraan ten grondslag ligt altijd 'wat is dat voor mij?' (voor ons, voor alles wat leeft enz.).

Een ding zou pas benoemd zijn als alle wezens ten aanzien ervan hun vraag 'wat is dat?' gesteld en beantwoord zouden hebben. Gesteld dat één enkel wezen, met zijn eigen relaties en perspectieven ;en aanzien van alle dingen, ontbrak, dan is het ding nog steeds niet gedefinieerd' .

Kortom: het wezen van een ding is ook maar een mening over het 'ding'. Of liever: het 'gaat door voor' is het eigenlijke 'het is', het enige dat is'.

Men mag niet vragen: 'Wie interpreteert dan?' maar het interpreteren zelf, als een vorm van de wil tot macht, heeft [de kwaliteit van] bestaan (doch niet als een 'zijn', maar als een proces, een worden) als affect.

Het ontstaan van de 'dingen' is geheel en al het werk van de voorstellende, denkende, willende, gewaarwordende personen.
Het begrip 'ding' zelf evengoed als alle eigenschappen. - Zelfs 'het subject' is zoiets geschapens, een 'ding' als alle andere: een vereenvoudiging om de kracht die aanneemt, verzint, denkt als zodanig te benoemen, ter onderscheiding van alle afzonderlijke aannemen, verzinnen, denken zelf. Dus het vermogen ter onderscheiding van al het afzonderlijke benoemd: in wezen het handelen met het oog op al het nog te verwachten handelen (handelen en de waarschijnlijkheid van gelijksoortig handelen) gebundeld.

Zie ook het fragment subject waarin uit hetzelfde aforisme (Boek 1 hst 2 af 174) wordt geciteerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug naar het begin van deze pagina
20-03-2004