Paragraaf "Subject" uit Het plezier van de tekst

PvdT75
PT 97

Van verschillende zijden poogt men een materialistische theorie van het subject te ontwikkelen. Dit zoeken kan drie toestanden doorlopen: het kan allereerst, als het een oude psychologische weg bewandelt, onbarmhartig de illusies kritiseren waarmee het imaginaire subject zich omgeeft (de klassieke moralisten waren meesters in deze kritiek); het kan vervolgens - of gelijktijdig - verder gaan, de duizelingwekkende splijting van het subject aanvaarden, beschreven als een zuivere afwisseling tussen het nulpunt en zijn uitwissing (dit interesseert de tekst, aangezien het genot, zonder zich in de tekst te kunnen uitspreken, hem doortrekt met de huiver voor zijn nietigverklaring); het kan tenslotte het subject veralgemenen ('veelvoudige ziel', 'sterfelijke ziel') - wat niet wil zeggen massificeren, collectiviseren; ook hier nog vindt men de tekst terug, het plezier, het genot: 'Men mag niet vragen: wie interpreteert dan?, maar het interpreteren zelf, als een vorm van de wil tot macht, bestaat (niet als een "zijn" maar als een proces, een worden) als een affect' (Nietzsche).

 

 

Misschien komt dan het subject terug, niet als illusie maar als fictie. Een zeker plezier put men uit een bepaalde manier om zich als individu te verbeelden, om een laatste, hoogst zeldzame fictie te bedenken: het fictieve van de identiteit. Deze fictie is niet meer de illusie van een eenheid; zij is integendeel het maatschappelijk theater waarin wij ons meervoud laten optreden: ons plezier is individueel - maar niet persoonlijk.

Iedere keer wanneer ik een tekst die mij plezier gegeven heeft, probeer te 'analyseren', vind ik niet mijn 'subjectiviteit' terug, maar mijn 'individu', het gegeven dat maakt dat mijn lichaam gescheiden is van de andere lichamen en het zich zijn lijden of plezier toeëigent: het is mijn lichaam van genot dat ik terugvind. En dit lichaam van genot is ook mijn historisch subject; want met behulp van een geraffineerde combinatie van biografische, historische, sociologische, neurotische elementen (opvoeding, maatschappelijke klasse, constellatie van de kindertijd enzovoort) regel ik het tegenstrijdige spel van het (culturele) plezier en van het (niet-culturele) genot en schrijf en schrijf ik mezelf als een op dit moment misplaatst, te laat of te vroeg gekomen, subject (dit te duidt noch spijt, noch een vergissing, noch pech aan, maar wijst alleen een nulplaats toe): een anachronistisch subject, op drift.

 

 

Men zou zich een typologie van leesplezier - of van plezierlezers - kunnen indenken; zij zou niet sociologisch zijn, want het plezier is geen attribuut van het produkt, noch van de produktie; ze zou alleen maar psychoanalytisch kunnen zijn, omdat de inzet ervan de verhouding tussen de leesneurose en de gehallucineerde vorm van de tekst is. De fetisjist zou zich kunnen vinden in de in stukken gesneden tekst, in de verbrokkeling van de citaten, de formules, de geijkte uitdrukkingen, in het plezier van het woord. De dwangneuroticus zou zich verlustigen in de letter, in de afgekoppelde, secundaire talen, in de metatalen (deze klasse zou alle logofielen, linguïsten, semiotici, filologen omvatten: al degenen voor wie de taal wederkeert). De paranoïcus zou listige teksten, als redenering opgebouwde geschiedenissen, volgens spelregels en geheime dwang uitgevoerde constructies consumeren of produceren. Wat de hystericus betreft (die wel het tegendeel van de dwangneuroticus is), hij zou stellig degene zijn die de tekst voor klinkende munt neemt, die in de komedie van de taal zonder fundament en waarheid binnentreedt, die niet meer het subject van enige kritische blik is en die zich in de tekst werpt (wat heel iets anders is dan zich in de tekst projecteren).


Nietzsche

Maurice Blanchot citeert Nietzsche in L'Entretien infini in het artikel L'expérience-limite, Gallimard 1969, p 245:

"Nietzsche s'exprime encore autrement: "Le monde: l'infini de l'interprétation (le déploiement d'une désignation à l'infini)." D'où l'obligation d'interpréter. Mais qui donc interprétera? Est-ce homme? Et quelle sorte d'homme? Nietzsche répond: "On n'a pas le droit de demander: 'qui donc est-ce qui interprète?' L'interpréter même, forme de la volonté de puissance, voilà ce qui a l'existence (non comme 'être' , mais comme 'processus', comme 'devenir') en tant que passion." Fragment riche d'énigmes. (p 245)

In een noot geeft Blanchot aan dat Nietzsche elders zegt dat "La volonté de puissance interprète", maar 'la volonté de Puissance ne saurait être sujet''.

Dit citaat komt uit Nietzsche's Herwaardering van alle waarden, Boek 1 hst 2 aforisme 174 p 85

[174]
Een 'ding als zodanig' even verkeerd als een 'zin als zodanig', een 'betekenis als zodanig'. Er is geen 'feitelijke toestand als zodanig', maar er moet altijd eerst een zin in gelegd worden opdat er een feitelijke toestand kan zijn.

Het 'wat is dat?' is een zinvaststelling vanuit iets anders gezien. De 'essentie', de 'wezenheid' is iets perspectivisch en vooronderstelt al een veelheid. Eraan ten grondslag ligt altijd 'wat is dat voor mij?' (voor ons, voor alles wat leeft enz.).

Een ding zou pas benoemd zijn als alle wezens ten aanzien ervan hun vraag 'wat is dat?' gesteld en beantwoord zouden hebben. Gesteld dat één enkel wezen, met zijn eigen relaties en perspectieven ;en aanzien van alle dingen, ontbrak, dan is het ding nog steeds niet gedefinieerd' .

Kortom: het wezen van een ding is ook maar een mening over het 'ding'. Of liever: het 'gaat door voor' is het eigenlijke 'het is', het enige dat is'.

Men mag niet vragen: 'Wie interpreteert dan?' maar het interpreteren zelf, als een vorm van de wil tot macht, heeft [de kwaliteit van] bestaan (doch niet als een 'zijn', maar als een proces, een worden) als affect.

Het ontstaan van de 'dingen' is geheel en al het werk van de voorstellende, denkende, willende, gewaarwordende personen.
Het begrip 'ding' zelf evengoed als alle eigenschappen. - Zelfs 'het subject' is zoiets geschapens, een 'ding' als alle andere: een vereenvoudiging om de kracht die aanneemt, verzint, denkt als zodanig te benoemen, ter onderscheiding van alle afzonderlijke aannemen, verzinnen, denken zelf. Dus het vermogen ter onderscheiding van al het afzonderlijke benoemd: in wezen het handelen met het oog op al het nog te verwachten handelen (handelen en de waarschijnlijkheid van gelijksoortig handelen) gebundeld.

(zie ook het fragment brio)

 

Terug naar het begin van deze pagina
20-03-2004