Paragraaf "Voorstelling" uit Het plezier van de tekst

PvdT7

De tekst van plezier is niet noodzakelijk die welke het plezier verhaalt, de tekst van genot is nooit die welke een genot vertelt. Het plezier van de voorstelling is niet aan haar voorwerp gebonden; de pornografie is niet zeker. In zoölogische termen zou men kunnen zeggen dat de plaats van het tekstuele plezier niet de verhouding tussen de mimicus en het model is (verhouding van nabootsing), maar slechts die tussen de bedrogene en de mimicus (verhouding van verlangen, produktieverhouding).

Men zou overigens een onderscheid moten maken tussen de figuratie en de voorstelling.

De figuratie zou de verschijningswijze van het erotische lichaam zijn (in welke mate en op welke wijze dan ook) in het profiel van de tekst. Bijvoorbeeld: de auteur kan in zijn tekst optreden (Genet, Proust), maar niet zoals in de directe biografie (wat het lichaam te buiten zou gaan, een zin aan het leven zou geven, een lot zou smeden). Of ook nog: men kan een verlangen opvatten naar een romanpersonage (door vluchtige opwellingen). Of tenslotte: de tekst zelf, als diagrammatische en niet nabootsende structuur, kan zich als lichaamsvorm onthullen; gespleten in fetisj-objecten, in erotische plekken. Al deze bewegingen getuigen van een figuur van de tekst, noodzakelijk voor het leesgenot. Evenzeer, en meer nog dan de tekst, zal de film stellig altijd figuratief zijn (reden waarom het ondanks alles de moeite loont hem te maken) - zelfs als hij niets voorstelt.

De voorstelling daarentegen zou een geremde figuratie zijn, met andere zingevingen beladen dan die van het verlangen: een ruimte van alibi's (realiteit, moraal, waarschijnlijkheid, leesbaarheid, waarheid, enzovoort). Hier hebben we een zuivere voorstellingstekst: Barbey d'Aurevilly schrijft over de maagd van Memling: 'Zij staat er heel recht, volkomen kaarsrecht bij. Zuivere wezens zijn recht. Aan de taille en aan de beweging herkent men de kuise vrouwen: de wellustigen slepen zich voort, smachten, buigen zich voorover, staan altijd op het punt om te vallen.' Men merke in het voorbijgaan op dat het voorstellende procédé zowel een kunst (de klassieke roman) heeft kunnen voortbrengen, alsook een 'wetenschap' (de grafologie bijvoorbeeld, die op grond van de weekheid van een letter concludeert tot het gebrek aan wilskracht bij de scribent), en dat het bijgevolg absoluut niet gekunsteld is haar onmiddellijk ideologisch te noemen (door de historische uitbreiding van haar betekenis). Zeker, het komt heel vaak voor dat de voorstelling het verlangen zelf tot object van nabootsing neemt: maar dan treedt dan verlangen nooit buiten de omlijsting, buiten het schilderij; het circuleert tussen de personages; als er een ontvanger is, dan blijft deze binnen de fictie (derhalve kan men zeggen dat iedere semiotiek die het verlangen opgesloten houdt in de configuratie van de actanten, hoe nieuw ze ook mag zijn, een voorstelling semiotiek van de voorstelling is. De voorstelling, dat is: als niets naar buiten treedt, als niet uit het kader springt: van het schilderij, van het boek, van het scherm).


 

Terug naar het begin van deze pagina
20-03-2004