Paragraaf "Gebabbel" uit Het plezier van de tekst

PT 11
OC 1495

Als ik met plezier deze zin, dat verhaal of dit woord lees, dan komt dat doordat zij in het plezier geschreven zijn (dit plezier is niet in tegenspraak met het gesteun van de schrijver). Maar het tegendeel?

OC 1496

In het plezier schrijven verzekert dat mij - mij, de schrijven - van het plezier van mijn lezer? Geenszins. Die lezer moet ik zoeken ('versieren') zonder te weten waar hij is. Een ruimte van genot wordt zo gecreëerd.
Niet de 'persoon' van de ander heb ik nodig, maar de ruimte: de mogelijkheid van een dialectiek van het verlangen, van een onvoorspelbaarheid van het genot: opdat de kaarten niet geschud zijn, opdat het tot een spel komt.

Met legt mij een tekst voor. De tekst verveelt me. Je zou kunnen zeggen dat hij babbelt. Het gebabbel van de tekst is slechts het taalschuim dat zich vormt onder de invloed van een eenvoudige schrijfbehoefte.

PT 12

We bevinden ons hier niet in de perversie, maar in de vraag. Bij het schrijven van zijn tekst kiest de scribent een zuigelingentaal: dwingend, automatisch, liefdeloos, een kleine ontreddering van klikklanken (die kinderlijke fonemen die de wonderlijke jezuïet Van Ginneken tussen het schrijven en de taal plaatste): het zijn de bewegingen van een gezuig zonder object, een ongedifferentieerde oraliteit, afgesneden van die, welke de genoegens van de gastrosofie en van de taal voortbrengt. U richt zich tot mij, opdat ik u lees, maar ik ben voor u niets anders dan dat richtpunt; ik ben in uw ogen de plaatsvervanger van niets, ik bezit geen enkele gestalte (hoogstens die van de Moeder); ik ben voor u noch een lichaam, noch een object (wat mij weinig kan schelen: het is niet mijn ziel die om erkenning smeekt), maar slechts een veld, een expansievat. Je kunt uiteindelijk zeggen dat u deze tekst buiten ieder genot heeft geschreven; en tenslotte is deze babbeltekst een frigide tekst, zoals iedere vraag voordat het verlangen, de neurose daarin tot ontwikkeling komt.

PT 13

De neurose is een noodsprong: niet ten opzichte van de 'gezondheid', maar ten opzichte van het 'onmogelijke' waar Bataille over spreekt ('De neurose is de angstvallige gewaarwording van een diepe grond van het onmogelijke' enzovoort); deze noodsprong is echter de enige die schrijven (en lezen mogelijk maakt. Van daar deze paradox: de teksten, zoals die van Bataille -of van anderen - die vanuit de schoot van de waanzin tegen de neurose geschreven zijn, hebben, als ze gelezen willen worden, dat beetje neurose in zich dat nodig is voor de verleiding van hun lezers: deze vreselijke teksten zijn niettemin kokette teksten.

Iedere schrijver zal daarom zeggen: waanzinnig kan ik niet zijn, gezond wil ik niet zijn, dus ben ik neurotisch.

De tekst die u schrijft, moet me het bewijs leveren dat hij naar mij verlangt. Dit bewijs bestaat:

PT 14dat is het schrijven. Het schrijven is dit: de wetenschap van de genietingen van de taal, haar Kama Soetra (voor deze wetenschap is slechts één handleiding: het schrijven zelf).


Terug naar het begin van deze pagina
20-03-2004