Paragraaf "Benoeming" uit Het plezier van de tekst

PvdT

A. vertrouwt me toe dat hij het niet zou verdragen als zijn moeder een losbandig leven zou leiden - maar dat het hem bij zijn vader niets zou uitmaken; hij voegt eraan toe: vreemd, nietwaar? - Een naam zou voldoende zijn om zijn verbazing te laten ophouden: Oedipus! A. staat in mijn ogen zeer dicht bij de tekst, want die geeft geen namen - of heft de bestaande op; hij zegt niet (of met welke twijfelachtige bedoeling?): marxisme, brechtianisme, kapitalisme, idealisme, Zen, enzovoort; de Naam komt niet over de lippen, hij is in praktijken gefragmenteerd, in woorden die geen Namen zijn. Doordat de tekst tot de grenzen van het zeggen doordringt, in een mathesis van de taal die niet met de wetenschap verward wil worden, lost de tekst de benoeming op en deze oplossing brengt hem dichter bij het genot.

 

 

In een oude tekst die ik zojuist gelezen heb (een episode uit het leven der geestelijken, verteld door Stendhal) komt bekend voedsel voor: melk, boterhammen, roomkaas uit Chantilly, marmelade uit Bar, Maltezer sinaasappelen, gesuikerde aardbeien. Is dit nog steeds een plezier van de zuivere voorstelling (dat dan alleen door de lezende fijnproever gesmaakt wordt)? Maar ik houd eigenlijk niet van melk en ook niet zo van zoete spijzen en projecteer mezelf nauwelijks in de details van zulke etentjes. Er gebeurt iets anders dat ongetwijfeld verbonden is met een andere betekenis van het woord 'voorstelling'. Wanneer in een discussie iemand zijn gesprekspartner iets voor-stelt dan voert hij slechts de laatste staat van de realiteit aan, dat wat in haar onaantastbaar is. Als de romanschrijver het voedsel citeert, benoemt, meedeelt (het als iets noemenswaardigs behandelt) dan dringt hij de lezer misschien op dezelfde manier de laatste staat van de materie op, dat wat in haar niet opgeheven teruggedrongen kan worden (dat is zeker niet het geval bij de hiervoor geciteerde namen: marxisme, idealisme, enzovoort). Dat is het! Deze uitroep mag niet als een ingeving van het verstand opgevat worden, maar als de grens zelf van de benoeming, van de verbeelding. Er zouden kortom twee vormen van realisme bestaan: het eerste ontcijfert het 'reële' (wat aantoonbaar maar niet zichtbaar si); het tweede zegt de 'realiteit' (wat zichtbaar is maar niet aan te tonen); de roman die deze beide vormen van realisme dooreen kan mengen, voegt aan het intelligibele van het 'reële' de fantasmatische staart van de 'realiteit' toe: verwondering dat men in 1791 'een sinaasappelsalade met rum' at net als in onze restaurants vandaag: een begin van historisch begrip en koppigheid van het ding (de sinaasappel, de rum) om er te zijn.


 

Terug naar het begin van deze pagina
20-03-2004