Paragraaf "Modern" uit Het plezier van de tekst

De taal die ik in mijzelf spreek, is niet van mijn tijd, ze is van nature blootgesteld aan ideologische verdenking; daartegen moet ik dus vechten. Ik schrijf omdat ik de woorden die ik aantref, niet wil: ik wil mij aan hen onttrekken. Tegelijk is deze voorlaatste taal die van mijn plezier: avondenlang lees ik Zola, Proust, Verne, Monte Christo, Les Mémoires d'un Touriste, en soms zelf Julien Green. Dat is mijn plezier, maar niet mijn genot: dat maakt slechts kans bij het absoluut nieuwe, want alleen het nieuwe schokt (verzwakt) het bewustzijn (gemakkelijk? geenszins: negen van de tien keer is het nieuwe slechts de stereotype van de nieuwheid).

 

Het Nieuwe is geen mode, het is een waarde, grondslag van alle kritiek: onze waardering van de wereld hangt niet meer, tenminste niet meer rechtstreeks zoals bij Nietzsche, van de tegenstelling tussen het voorname en het lage af, maar van die tussen het Oude en het Nieuwe (de erotiek van het Nieuwe is met de achttiende eeuw begonnen: een lange nog voortdurende verandering). Om te ontsnappen aan de vervreemding van de huidige maatschappij rest alleen nog dit middel: de vlucht naar voren: ieder oude taal is onmiddellijk gecompromitteerd, en ieder taal wordt oud zodra ze herhaald wordt. De encratische taal nu (de taal die onder de hoede van de macht ontstaat en zich verbreidt) is naar haar status een herhalingstaal; alle officiële taalinstituties zijn herkauwende machines: het onderwijs, de sport, de reclame, de massapers, het populaire lied, de berichtgeving zeggen steeds opnieuw dezelfde structuur, dezelfde betekenis, dikwijls dezelfde woorden: de stereotype is een politiek feit, de voornaamste figuur van de ideologie. Daartegenover is het Nieuwe het genot (Freud: 'Bij de volwassene is de nieuwheid altijd de voorwaarde van het genot').

Vandaar de huidige krachtenconstellatie: aan de ene kant een massale vervlakking (verbonden met de herhaling van de taal) - een verklaring buiten het genot, maar niet noodzakelijk buiten het plezier - en aan de andere kant een (marginale, excentrische) vervoering, die tot aan de vernietiging van de reden kan gaan: een poging het onder de stereotype verdrongen genot historisch weer te laten opduiken.

De tegenstelling (het mes van de waarde) is niet noodzakelijk die tussen de geheiligde, benoemde tegendelen (materialisme en idealisme, reformisme en revolutie, enzovoort); maar zij bestaat altijd en overal tussen de uitzondering en de regel. De regels is het misbruik, de uitzondering is het genot. Op bepaalde momenten is het bijvoorbeeld mogelijk om de uitzondering van de Mystici te verdedigen. Alles liever dan de regel (de algemeenheid, de stereotype, het ideolect: de consistente taal).

 

Men kan echter ook precies het tegendeel beweren (ik zou dat evenwel niet doen): de herhaling zou juist het genot opwekken. Etnografische voorbeelden zijn er in overvloed: dwangmatige ritmen, bezwerende muziek, litanieën, riten, de boeddhistische Nembutsu, enzovoort: herhalen tot in het uiterste, dat betekent zich verliezen, in het nulpunt van het betekende binnengaan. Alleen: de herhaling kan alleen dan erotisch zijn, als ze formeel, letterlijk is, en in onze cultuur wordt deze opzettelijke (buitensporige) herhaling weer excentrisch, naar bepaalde randgebieden van de muziek teruggedrongen. De ontaarde vorm van de massacultuur is de geniepige herhaling: men herhaalt de inhouden, de ideologische schema's, de verdoezeling van de tegenspraken, maar men varieert de oppervlakkige vormen: voortdurend nieuwe boeken, uitzendingen, films, berichtjes, maar altijd dezelfde betekenis.

Kortom, het woord kan slechts onder twee tegengestelde, in gelijke mate buitensporige voorwaarden erotisch zijn: indien het tot het uiterste herhaald wordt, of daarentegen, indien het onverwacht, door zijn nieuwheid verrukkelijk is (in bepaalde teksten schitteren woorden, het zijn verstrooiende, ongepaste verschijningen - om het even of ze pedant zijn; persoonlijk heb ik zo plezier in de volgende zin van Leibniz: '... alsof de zakhorloges de tijd door een bepaald horodeiktisch vermogen aanwezen, zonder een raderwerk nodig te hebben, of alsof de molens het koren door een fractieve eigenschap maalden zonder zoiets als molenstenen van node te hebben'). In beide gevallen is het dezelfde genotsfysica, de vore, de inkerving, de syncope: wat uitgehold, ineengestampt is, of wat uiteenspat, valt uit de toon.

 

De stereotype is het woord dat zonder enige betovering, enige geestdrift herhaald wordt, alsof het natuurlijk was, alsof dit terugkerende woord door een wonder telkens om verschillende redenen op zijn plaats zou zijn, alsof het nabootsen niet meer als nabootsing opgemerkt kon worden: een ongedwongen woord dat aanspraak maakt op consistentie en zich niet bewust is van zijn eigen opdringerigheid. Nietzsche heeft opgemerkt dat 'de waarheid' niets dan de stolling van oude metaforen is. Welnu, in dit opzicht is de stereotype de actuele weg van 'de waarheid', het tastbare spoor dat het bedachte ornament laat overgaan in de canonieke, dwingende vorm van het betekende. (Men zou zich eens een nieuwe taalwetenschap moeten voorstellen; zij zou niet mee de oorsprong van de woorden of etymologie bestuderen, zelfs niet hun verbreiding of lexicologie, maar hun voortschrijdende stolling, hun verdikking in de loop van de historische rede; die wetenschap zou ongetwijfeld subversief zijn, doordat zij heel wat meer zou tonen dan de historische oorsprong van de waarheid, namelijk haar retorische, talige aard.)

Het wantrouwen tegenover de stereotype (gepaard aan het genot van het nieuwe woord of van de onhoudbare rede) is een beginsel van absolute instabiliteit, dat niets respecteert (geen inhoud, geen keuze). De walging ontstaat zodra de verbinding tussen twee belangrijke woorden vanzelf spreekt. En zodra iets vanzelf spreekt, laat ik het vallen: dat is het genot. Onbeduidende ergernis? in de novelle van Edgar Allan Poe overleeft de gehypnotiseerde, stervende mijnheer Waldemar, op het moment van de doodsverstijving, door de herhaling van de tot hem gerichte vragen ('Mijnheer Waldemar, slaapt u?'); maar dit overleven is onhoudbaar: de valse dood, de gruwelijke dood is die welke geen einde heeft, eindeloos is ('In Godsnaam! - Snel! - Snel! - breng me in slaap - ofwel, snel! maak me wakker, snel! - Ik zeg u, ik ben dood!'). De stereotype is deze walging wekkende onmogelijkheid om te sterven.

 

Op intellectueel terrein is de politieke keuze een stopzetting van de taal - een genot dus. Maar ondertussen herstelt de taal zich in haar meest consistente vorm (de politieke stereotype). Die taal moet men dan zonder walging slikken.

Ander genot (andere zijden): het bestaat uit het depolitiseren van wat ogenschijnlijk politiek is en uit het politiseren van wat het schijnbaar niet is. - Och nee toch, men politiseert wat gepolitiseerd behoort te worden, punt uit.


PvdT 50-55/ PdT 65-71

mijnheer Waldemar / M. Valdemar

M. Valdemar is een figuur uit het korte verhaal The Facts in the Case of Mr.
Valdemar
van Edgar Allan Poe (1845). In 1973 geeft Barthes een tekstanalyse van
dit verhaal (OC5-IV 413-442; ook in Aventure Semiologique). Waar Barthes in zijn S/Z uit 1970 een nog min of meer wetenschappelijke aanpak hanteert, is de analyse in dit artikel veel losser opgezet. Het gaat het om het tonen van de signifiance. Codes zijn nu, anders dan in S/Z, een vorm van het déja-lu, een speelse variant op het déja-vu.

Een engelse vertaling van een gedeelte van dit artikel en het verhaal van Poe zelf is te vinden op de site van Eng 541 Contemporary Literary Theory van het college of Humanities and social science van de New York State University (ook als pdf bestand 1e deel artikel Barthes , tekst Poe) Het artikel van Barthes is in Engelse vertaling verschenen in Robert Young's Untying the text, A post-Structuralist reader, Routledge 1981 p 133-158. De vertaling is van Geoff Bennington.

De Nederlandse vertaling De feiten in het geval Valdemar is opgenomen in de bundel 30 Beroemde verhalen, L.J. Veen's Uitgeversmaatschappij, 1976, ISBN 90-204-0496-2, 5e druk. Dit is een vertaling van: Tales of Mystery and Imagination (ged.), vert.door: Hermien Manger en Adrie van Huizen.

"For God's sake!—quick!—quick!—put me to sleep—or, quick!—waken
me!—quick!—I say to you that I am dead!"
"Pour l'amour de Dieu! - Vite! - Vite! - faites-moi dormir, - ou bien vite! éveillez-moi vite! - Je vous dis que je suis mort!"
"In Godsnaam! - vlug! - vlug! - breng me in slaap - of, vlug! maak me wakker, snel! - Ik zeg u dat ik dood ben!".

 

 

Terug naar het begin van deze pagina
11-07-2004