Paragraaf "Intertekst" uit Het plezier van de tekst

 

PvdT

Bij het lezen van een door Stendhal medegedeelde tekst (die echter niet van hem is)* vind ik dank zij een minuscuul detail Proust terug. De bisschop van Lescars duidt de nicht van zijn vicaris-generaal met een reeks kostelijke aansprekingen (mijn kleine nicht, mijn vriendinnetje, mijn mooie brunette, ah kleine lekkerbek!), die bij mij de uitroepen in herinnering brengen waarmee de twee 'courrières' van het Grand Hôtel van Balbec, Marie Geneste en Céleste Albaret, de verteller aanspraken (Oh! gitzwart harig duiveltje, oh diepe ondeugd! Ah de jeugd! Ah lekker velletje!). Elders, maar op dezelfde wijze, bij Flaubert zijn het bloeiende appelbomen van Normandië die ik vanuit Proust lees. Ik smul van het rijk der formules, van de omkering van de herkomst, van de ongedwongenheid die de oudere tekst uit de jongere laat voortkomen. Ik besef dat het werk van Proust, tenminste voor mij, het referentiewerk is, de algemene mathesis, de mandala van de hele literaire kosmogonie -zoals de brieven van Madame de Sévigné dat waren voor de grootmoeder van de verteller, de ridderromans voor Don Quichotte, enzovoort; dat wil in het geheel niet zeggen dat ik een 'Proust-specialist' ben: Proust, dat komt naar me toe, dat haal ik er niet bij; het is geen 'autoriteit'; alleen maar een circulaire herinnering. En dát nu is de inter-tekst: de onmogelijkheid, buiten de oneindige tekst te leven - of deze tekst nu Proust, het dagblad of het televisiescherm is: het boek maakt de betekenis, de betekenis doet leven.

*Episodes de la vie d'Athanase Auger, publiés par sa nièce', in : Les Memoires d'un touriste, 1, pp.238-245 (Stendhal, Oeuvres complètes, Parijs (Calmann-Lévy) 1891).


 

Terug naar het begin van deze pagina
20-03-2004