| PvdT35 | De ideologische systemen zijn ficties (idolen van het theater zou Bacon zeggen), romans - maar klassieke romans, wel voorzien van intriges, crises, goede en slechte personages (het romaneske is iets geheel anders: een eenvoudige, ongestructureerde verdeling, een verstrooiing van vormen: maya). Iedere fictie wordt gedragen door een sociale spreekwijze, een sociolect waarmee ze zich identificeert: de fictie is de graad van de consistentie die een taal bereikt als zij bij uitzondering aanslaat en een priesterklasse (priesters, intellectuelen, kunstenaars) vindt die haar doorgaans spreekt en verbreidt. '...Elk volk heeft een dergelijke wiskundig verdeelde hemel van begrippen boven zich en denkt dan dat de waarheid verlangt dat elke begripsgod slechts in zijn eigen sfeer gezocht wordt' (Nietzsche): wij zijn allen in de waarheid van de talen verstrikt, dat wil zeggen in hun regionaliteit, meegesleept in de enorme wedijver die hun nabuurschap regelt. Want iedere spreekwijze (iedere fictie) strijdt om de hegemonie; als zij de macht voor zichzelf heeft, verbreidt zij zich overal in de stroom van alledaagsheid van het sociale leven, wordt zij doxa, natuur: dat zogenaamde a-politieke spreken van de politici, van de functionarissen van de staat, dat van de pers, de radio, de tv, dat van de conversatie; maar zelfs buiten de macht, tegen haar, leeft de wedijver weer op, splitsen de spreekwijzen zich, worstelen met elkaar. Een onbarmhartige topica regelt het leven van de taal; de taal komt altijd ergens vandaan, zijn is een krijgslustige topos.
Willen
deze gesproken systemen iemand niet langer radeloos maken
of lastig vallen, dan zit er niet anders op dan een van hen
te bewonen. Zoniet: en ik, en ik, wat doe ik in dat alles? De
tekst daarentegen is atopisch, zo niet in zijn consumptie,
dan toch minstens in zijn produktie. Hij is geen spreekwijze,
geen fictie, het systeem is in hem overstroomd, uiteengevallen
(deze overstroming, dit uiteenvallen is de betekening).
Van deze atopie raakt hij in een vreemde toestand, die
hij aan zijn lezers meedeelt: tegelijk buitengesloten en
vredig. In de oorlog van de talen kunnen er rustige momenten
zijn, en deze momenten zijn teksten ('Vrede', zegt een
personage van Brecht, 'is er ook in de oorlog... De oorlog
heeft zijn vreedzame momenten... Tussen twee gevechten
is er tijd voor een glas bier...'). Het plezier van de tekst let niet op ideologie. Maar deze onbeschaamdheid vloeit niet voort uit liberalisme, maar uit perversie: de tekst, zijn lezing zijn gespleten. Wat overstroomd, stukgeslagen wordt, is de morele eenheid die de maatschappij van ieder eist. Wij lezen een tekst (van plezier) zoals een vlieg in de ruimte van een kamer rondvliegt: met plotselinge, bedrieglijke, besliste, drukke en nutteloze zigzagbewegingen: de ideologie trekt over de tekst en zijn lezing als de blos over een gezicht (in de liefde proeven sommigen in dit blozen een erotisch genoegen); iedere schrijver van plezier wordt door zulke stomme blozingen overvallen (Balzac, Zola, Flaubert, Proust: alleen Mallarmé is misschien meester over zijn huid): in de tekst van plezier zijn de tegengestelde krachten niet langer de toestand van verdringing maar van wording: niet is werkelijk antagonistisch, alles is meervoudig. Soepel glijd ik door de nacht van de reactie. In Fécondité van Zola bijvoorbeeld is de ideologie zonneklaar, bijzonder kleverig: naturisme, familialisme, kolonialisme; dat verhindert echter niet dat ik in het boek verder lees. Is deze vervorming banaal? Men kan eerder de huishoudelijke handigheid verbluffend vinden, waarmee het subject zich deelt, zijn lezen verdeelt, weerstand biedt aan de besmetting van het oordeel, aan de metonymie van de tevredenheid: zou de reden daarvan zijn dat het plezier objectief maakt? Sommigen willen een tekst (een kunst, een schilderkunst) zonder schaduw, die zich onttrekt aan de 'heersende ideologie'; maar dat zou een tekst zijn zonder vruchtbaarheid, zonder produktiviteit, een steriele tekst (zie de mythe van de Vrouw zonder Schaduw). De tekst heeft behoefte aan schaduw: die schaduw is een beetje ideologie, een beetje voorstelling, een beetje subject: noodzakelijke schimmen, zakken, slierten, wolken: de subversie moet haar eigen clair-obscur voortbrengen. |
De paragraaf Oorlog bevat 8 fragmenten.
zie ook mijn artikel De Oorlog en het
Plezier van de Tekst, Lezing
gehouden op 16-4-1988 voor de Nederlandse Studiekring
voor Esthetica te Amsterdam
Verschenen in Gaya Scienza, kroniek voor kunst, filosofie en communicatie,
voorjaar 1988 nr 6. In dit artikel worden enkele elementen van dit fragment
verder uitgewerkt
Filosofie Magazine 3, april 2004 heeft als thema Idolen. In het artikel Het idool is mens geworden schetst Jan Dirk Snel het begip Idolen bij Bacon:
"En toen kwam Francis Bacon (15611626). In zijn Novum Organum uit 1620, dat zich al in de titel tegen de 'oude' filosofie van Aristoteles keerde, introduceerde hij een nieuw idoolbegrip. 'Idolen' stonden voor vooroordelen: foutieve ideeën en begrippen die het menselijk verstand in de ban houden en op een dwaalweg leiden.
Bacon sloot gewiekst aan bij de traditionele afwijzing van idolatrie, maar tegelijk draaide hij de zaak radicaal om. De overeenkomst met traditionele afgoden is, dat ook volgens Bacon idolen door mensen gemaakt zijn. De grote fout van de meeste mensen, merkt hij op, is dat ze de mens voor de maat van alle dingen houden. Ze bekijken de wereld vanuit zichzelf. Idolen zijn dus net als afgoden gemaakt naar eigen beeld en gelijkenis.
Maar dan komt het verschil. Je moet de wereld trachten te begrijpen 'vanuit de maat van de wereld', vindt Bacon. Zijn methode is de inductie. Je moet de werkelijkheid zelf laten spreken. Bij Bacon staan niet langere zinnelijke beelden van afgoden tegenover de ware God of idee. Nee, het is omgekeerd. De zichtbare werkelijkheid staat tegenover de ideeën die mensen koesteren. De idolen van Bacon zijn niet langer beelden, maar ideeën. De tegenstelling is niet tussen God en idolen, maar tussen wetenschap en idolen.
Bacon
onderscheidt vier soorten idolen: van de stam, de grot, de markt en het
theater. De idolen van de stam zijn de vooroordelen die eigen
zijn aan de mensheid. Mensen zijn nu eenmaal traag van begrip en hebben
de neiging om hun eigen
ideeën aan de werkelijkheid op te leggen in plaats dat ze die onbevooroordeeld
waarnemen.
De idolen van de grot zijn de vooroordelen die elk
individu er voor zichzelf op na houdt. Ieder mens bekijkt de werkelijkheid
vanuit
zijn toevallige plek in de wereld en houdt de vooroordelen die uit opvoeding
of gewoonte voortkomen, klakkeloos voor waar.
Bij de derde groep, de idolen
van de markt, denkt Bacon aan de verwarring die ontstaat door het
gebruik van de taal. Mensen overschatten woorden. Ze kennen betekenis toe
aan loze
woorden of gebruiken verwarde termen.
Met de laatste groep, de idolen
van het theater, keert Bacon zich tegen de filosofische traditie.
Mensen laten zich van alles wijs maken. Ze zijn in de ban van overgeleverde
dogma's,
die bij nader inzien niet blijken te kloppen.
Bacons remedie is helder.
Hij zet al zijn kaarten op de wetenschap. Die zal de waarheid aan het licht
brengen. Bacons filosofische herinterpretatie van idolen zou in filosofie
en wetenschap de standaardopvatting blijven. p37/38
Maya: (mä´yä), in Hinduism, term used in the Veda to
mean magic or supernatural power. In Mahayana Buddhism it acquires the
meaning of illusion or unreality. The term is pivotal in the Vedanta
system of Shankara, where it signifies the world as a cosmic illusion
and also the power that creates the world.( bron:
The
Columbia Encyclopedia, Sixth Edition. 2001).
Maya wordt meestal gelijk gesteld aan 'onwetendheid' maar krijgt ook vaak de betekenis van 'illusoire kracht' of 'illusie voortbrengende kracht'.
Zie verder de notitie Maya
Citaat is afkomstig uit het artikel Over waarheid en leugen in buiten-morele zin, in Waarheid en cultuur, Boom 1983, p 116:
"Zoals de Romeinen en Etrusken hun hemel door middel van starre wiskundige lijnen indeelden en een god, als in een templum, verbanden naar een aldus afgeperkte ruimte, zo heeft elk volk een dergelijk wiskundig verdeelde hemel van begrippen boven zich en denkt nu dat de waarheid verlangt dat elke begripsgod slechts in zijn eigen sfeer mag worden gezocht." p 116