| PvdT | De tekst is een fetisj-object, en deze fetisj verlangt naar mij. De tekst kiest me uit via een opstelling van onzichtbare filters, via selectieve hindernissen: woordenschat, verwijzingen, leesbaarheid, enzovoort; en verloren midden in de tekst (en niet daarachter als een god van het raderwerk) is er altijd de ander, de auteur. Als instituut is de auteur dood: als juridische, hartstochtelijke, biografische persoon is hij verdwenen; onteigend oefent hij over zijn werk niet meer het geweldige vaderschap uit waarover de litteratuurgeschiedenis, het onderwijs, de publieke opinie steeds weer opnieuw moesten berichten; maar in de tekst verlang ik op een bepaalde wijze naar de auteur: ik heb behoefte aan zijn figuur (die noch zijn voorstelling, noch zijn projectie is), zoals hij behoeft heeft aan de mijne (behalve als hij 'babbelt'). |