Paragraaf "Zeggen" uit Het plezier van de tekst

PvdT

Plezier van de tekst, tekst van plezier: deze uitdrukkingen zijn dubbelzinnig omdat er geen woord bestaat dat tegelijk het plezier (de bevrediging) en het genot (de bezwijming) dekt. Het 'plezier' wordt hier dus (zonder nadere waarschuwing) nu eens uitgebreid tot het genot, dan weer er tegenover gesteld. Deze dubbelzinnigheid moet ik echter voor lief nemen; want enerzijds heb ik een algemeen 'plezier' nodig, telkens als ik moet verwijzen naar een buitensporigheid van de tekst, naar dat wat in de tekst iedere (sociale) functie en ieder (structureel) functioneren te buiten gaat; en anderzijds heb ik een bijzonder 'plezier' nodig, gewoon een deel van het Totaal-plezier, telkens als ik de euforie, de vervulling, de behaaglijkheid (een gevoel van verzadiging waarin de cultuur vrij binnendringt) moet onderscheiden van de schok, de beving, het verlies, die eigen zijn aan het genot. Ik ben gedwongen tot deze dubbelzinnigheid, omdat ik het woord 'plezier' niet kan zuiveren van de betekenissen die ik bij gelegenheid niet wil: ik kan niet verhinderen dat in het Frans 'plezier' tegelijk verwijst naar iets algemeens ('lustprincipe') en naar iets onbeduidends ('de dwazen zijn hier op aarde voor onze kleine genoegens'). Ik ben dus gedwongen om de bewoordingen van mijn tekst in de tegenspraak te laten bewegen.

Is het plezier niet meer dan een klein genot? Is het genot alleen maar een buitensporig plezier? Is het plezier slechts een afgezwakt, aanvaard genot, via een reeks van compromissen omgeleid? Is het genot slechts een brutaal, onmiddellijk plezier (zonder bemiddeling)? Van het antwoord (ja of nee) hangt af hoe we de geschiedenis van onze moderniteit zullen vertellen. Want als ik zeg dat er tussen het plezier en het genot slechts een gradueel verschil bestaat, dan zeg ik tevens dat de geschiedenis gepacificeerd is: de tekst van genot is niets dan de logische, organische, historische ontwikkeling van de tekst van plezier, de avant-garde is nooit meer dan de progressieve geëmancipeerde vorm van de cultuur uit het verleden: het heden komt voort uit het verleden, Robbe-Grillet zit al in Flaubert, Sollers in Rabelais, heel Nicolaes de Stael in twee vierkante centimeter Cézanne. Maar als ik daarentegen geloof dat het plezier en het genot parallelle krachten zijn, dat zijn elkaar niet kunnen ontmoeten en dat er tussen hen meer dan een strijd bestaat: een niet-communicatie, dan moet ik wel beseffen dat de geschiedenis, onze geschiedenis niet vreedzaam is, misschien zelfs niet verstandig, dat de tekst van genot er altijd in opduikt als schandaal (als hapering), dat hij altijd het spoor is van een breuk, van een affirmatie (en niet van een ontluiking) en dat het subject van deze geschiedenis (dat historische subject dat ik te midden van anderen ben) nooit tot rust kan komen door de liefde voor de werken uit de voorbije tijd en de steun aan de moderne werken in een mooie dialectische, synthetiserende beweging samen te brengen, maar dat het daarentegen altijd alleen maar een 'levende tegenspraak' is: een gespleten subject dat door de tekst heen tegelijk geniet van de consistentie van zijn ik en van zijn val.

 

Hier hebt u trouwens - ze stamt uit de psychoanalyse - een indirecte manier om de tegenstelling tussen de tekst van plezier en de tekst van genot te funderen: het plezier is zegbaar, het genot niet.

Het genot is on-zegbaar, ont-zegt. Ik verwijs naar Lacan ('Waar men zich aan moet houden, is dat het genot degene die spreekt als zodanig ontzegd is, of ook wel, dat het slechts tussen de regels door gezegd kan worden...') en naar Leclaire ('...hij die iets zegt, ontzegt zich door zijn gezegde het genot, of daarmee samenhangend, hij die geniet laat iedere letter - en elk mogelijk gezegde - vervliegen in het absolute van de nietigverklaring die hij huldigt.').

De schrijver van plezier (en zijn lezer) aanvaardt de letter; door af te zien van het genot heeft hij het recht en het vermogen het te verwoorden: de letter is zijn plezier: hij is er door geobsedeerd, zoals allen die van de taal houden (en niet van het taalgebruik) - alle logofielen, schrijvers, briefschrijvers, taalkundigen; over de teksten van plezier kan men dus spreken (geen discussie met de nietigverklaring van het genot): de kritiek heeft altijd betrekking op teksten van plezier, nooit op teksten van genot: Flaubert, Proust, Stendhal worden onuitputtelijk becommentarieerd; de kritiek spreekt dus van de bevoogde tekst het ijdele genot uit, het voorbije of toekomstige genot: u gaat lezen, ik heb gelezen: de kritiek is altijd historisch of toekomstgericht: het constaterende heden, het present stellen van het genot is haar ontzegd; de materie van haar voorkeur is derhalve de cultuur, die alles in ons is behalve ons heden.

Met de schrijver van genot (en zijn lezer) begint de onhoudbare tekst, de onmogelijke tekst. Deze tekst staat buiten het plezier, buiten de kritiek, tenzij hij door een andere tekst van genot geraakt wordt: u kunt niet 'over' een dergelijke tekst spreken, u kunt alleen 'in hem' spreken, Op zijn wijze, intreden in een hartstochtelijk plagiaat, hysterisch de leegte van het genot affirmeren (en niet langer dwangmatig de letter van het plezier herhalen).


Terug naar het begin van deze pagina
20-03-2004