Paragraaf "Afdrift" uit het Plezier van de tekst

PvdT 25
PT 32/33
OCII 1503

Het plezier van de tekst is niet noodzakelijk triomfantelijk, heldhaftig, gespierd. Geen behoefte om de rug te rechten. Mijn plezier kan zeer wel de vorm van een afdrift aannemen. Dat gebeurt telkens als ik het geheel niet respecteer, en ik ook al lijk ik als een dobber op de golven van hot naar her meegesleurd te worden, onbeweeglijk blijf, overgeleverd aan de illusies, verleidingen en intimidaties van de taal, draaiend om het onhandelbare genot dat me aan de tekst (aan de wereld) bindt. Er is afdrift, iedere keer dat de sociale taal, het sociolect met ontbreekt (zoals men zegt: de moed ontbreekt me). Een ander naam voor de afdrift zou daarom zijn: het Onhandelbare - of misschien ook: de Domheid.

 

Toch zou tegenwoordig, als men daarin slaagde, het zeggen van de afdrift een suïcidale rede zijn.


Deze paragraaf bestaat uit twee korte fagmenten.

als ik het geheel niet respecteer / je ne respecte pas le tout

Mortimer The Gentlest Law p 97:

I do not respect the whole: although there is no hint in PT that this phrase comes from Nietzsche, Barthes does make this attribution elsewhere. In RL 110: the production of the Text is "supremely free, insofar as (Nietzsche again) it does not respect the Whole (the Law) of language." Also in RL 281-82, in relation to Proust's effort to "subtract Time Remembered from the false permanence of biography," Barthes says Nietzsche wrote the same thing more briefly in the formula, "we must reduce the universe to crumbs, lose respect for the whole." Also RL 287, where Nietzsche is named: "for in order even to sketch such a thing, we should have to disperse the 'whole' of the novelistic universe, no longer to place a book's essence in its structure." (A formulation like this one clearly marks the evolution since the formalistic structuralism of "Introduction to the Structural Analysis of Narrative.")
It is instructive to follow this most elusive Nietzschean reference in its various reformulations and reapplications by Barthes through several texts. The original is in WP 331: "One must shatter the all; unlearn respect for the all . . . ." In sum the drift is both Lacanian
Sollers also quotes Nietzsche's sentence, apropos of Bataille, in Logiques (Paris: Seuil, 1968), 189.

Fragmente X (1886) Mappe Ende 1886 - Frühjahr 1887 62
WP 331 / Schlechta 864-65

Es scheint mir wichtig, daß man das All, die Einheit los wird, irgendeine Kraft, ein Unbedingtes; man würde nicht umhin können, es als höchste Instanz zu nehmen und »Gott« zu taufen. Man muß das All zersplittern; den Respekt vor dem All verlernen; das, was wir dem Unbekannten und Ganzen gegeben haben, zurücknehmen für das Nächste, Unsere.

Was Kant z.B. sagt »Zwei Dinge bleiben ewig verehrenswert« (Schluß der prakt. Vernunft) - heute würden wir eher sagen »die Verdauung ist ehrwürdiger«. Das All brächte immer die alten Probleme mit sich - »wie Übel möglich sei?« usw. Also: es gibt kein All, es fehlt das große Sensorium oder Inventarium oder Kraft-Magazin.

Zie voor het gehele fragment de pagina Nietszsche spreekt

als een dobber op de golven / tel un bouchon sur la vague

Deze beeldspraak zou ontleend kunnen zijn aan het gedicht Le Bateau Ivre (De dronken boot) van Arthur Rimbaud. De vierde strofe luidt aldus:

La tempête a béni mes éveils maritimes.
Plus léger qu'un bouchon j'ai dansé sur les flots
Qu'on appelle rouleurs éternels de victimes,
Dix nuits, sans regretter l'oeil niais des falots !

De stormen zegenden mijn maritieme wake;
Zo menig slachtoffer, werd, zegt men, opgelicht;
Ik miste niet het oog van een onnozel baken,
En danste op de zee als een stuk kurk zo licht
(vertaling van J.P. Guépin, in: De moderne Franse poëzie, een anthologie, Veen 2001)

In het artikel Une écriture tragique werkt hij het begrip dérive uit en brengt dat in verband met bovenstaand gedicht :"La « dérive » selon l'acception rimbaldienne du Bateau ivre, flottement sans direction, errance d'une épave abandonnée aux moments, mobile sans moteur propre ni direction prévisible, s'oppose antithétiquement à l'autre. Zie ook de annotatie « Afdrift » hieronder.

In de Mythologie Nautilus en Bateau Ivre schetst hij het beeld van de boot in het werk van Jules Verne (de Nautilus). Bij Verne is een boot een afsluiting, eem volmaakte opsluiting: "Te beschikken over een absoluut eindige ruimte: van schepen houden is een vrhevigde vorm van houden van een huis, omdate het schip gelsoten is, zonder uitweg, het is geenszins het verlangen naar een onbestemd vretrek: het schip is eerder woning dan transportmiddel. Alle schepen van Jules Verne zijn volmaakte "gezellige hoekjes bij het vuur", en de enorme reizen maken het geluk van het opgesloten zijn nog groter, de volmaaktheid van de mensheid binnen nog vollediger. (..)

De meeste legendarische of fictieve schepen passen, net als de Nautilus, binnen het thema van de begeerde opsluiting; zodra het schip zich aandient als habitat van de mens, organiseert deze het meteen als een ronde, gladde wereld, waarin de moraal van de scheepvaart hem tegelijk tot god, meester en eigenaar maakt (schipper naast God). In deze scheepvaartrnythologie is er maar één middel om het zich toe-eigenen van het schip door de mens te voorkomen, dat is de mens weg te nemen en het schip aan zich zelf over te laten; dan houdt het schip op doos, habitat, bezit te zijn; het wordt dan een reizend oog, aanraker van de oneindigheid, een voortdurend vertrekken. De werkelijke tegenstelling tot de Nautilus van Verne is de Bateau ivre van Rimbaud, het schip dat 'ik' zegt en bevrijd van zijn innerlijke holte de mens van de psychoanalyse van de spelonk naar de ware poëtica van de ontdekking kan leiden." (Mythologieën, Uigeverij Ijzer, 2002 p 85-86)(Mythologies, Seuil, p 76-77)

Afdrift / Dérive

Rokus Hofstede geeft in Memo Barthes de volgende connotatie van dérive:

"Dérive is etymologisch verwant met 'drift'; dériver betekent letterlijk afdrijven, op drift raken, dolen. Het woord was in de jaren '60 en '70 in zwang onder Franse intellectuelen; Guy Debord, paus van de situationisten, publiceerde in 1958 zijn Théorie de la dérive, waarin hij dérive omschreef als een 'techniek om vluchtig wisselende omgevingen te doorkruisen' - een pleidooi voor stedelijke dooltochten, naar het voorbeeld van de surrealisten, die zulke geestverruimende omzwervingen al eerder hadden beproefd. In het daaropvolgende decennium verbreedde de betekenis van dérive zich in intellectuele kringen tot die van 'ongecontroleerde, spontane, passieve beweging' (in het woord 'afdrift', zoals Frans van den Pol vertaalt in Het plezier van de tekst (SUN, 1986), is van dat netwerk van connotaties niet veel over).
Barthes grijpt vaak op het woord terug, in verschillende, steeds positief geconnoteerde contexten: hij associeert dérive onder meer met erotische overgave (in het essay 'Pierre Loti: Aziyadé'), met tekstplezier (in Le plaisir du texte), of met zijn eigen intellectuele praktijk (in Roland Barthes par Roland Barthes). (Memo Barthes p 165-166)

In het artikel Pierrre Loti: "Aziyadé" uit 1971 is een fragment opgenomen met de titel La Dérive. Hierin schrijft Barthes het volgende:

La Dérive

"N'étaient ses alibis (une bonne philosophie désenchantée et Aziyadé elle-même), ce roman pourrait être très moderne : ne met-il pas en forme une contestation très paresseuse, que l'on retrouve aujourd'hui dans le mouvement hippy? Loti est en somme un hippy dandy: comme lui, les hippies ont le goût de l'expatriation et du travestissement. Cette forme de refus ou de soustraction hors de l'Occident n'est ni violente, ni ascétique, ni politique: c'est très exactement une dérive: Aziyadé est le roman de la Dérive. Il existe des villes de Dérive: ni trop grandes ni trop neuves, il faut qu'elles aient un passé (ainsi Tanger, ancienne ville internationale) et soient cependant encore vivantes; villes où plusieurs villes intérieures se mêlent; villes sans esprit promotionnel, villes paresseuses, oisives, et cependant nullement luxueuses, où la débauche règne sans s'y prendre au sérieux: tel sans doute le Stamboul de Loti. La ville est alors une sorte d'eau qui à la fois porte et emporte loin de la rive du réel: on s'y trouve immobile (soustrait à toute compétition) et déporté (soustrait à tout ordre conservateur). Curieusement, Loti parle lui-même de la dérive (rare moment vraiment symbolique de ce discours sans secret) : dans les eaux de Salonique, la barque où Aziyadé et lui font leurs promenades amoureuses est "un lit qui flotte", "un lit qui dérive" (à quoi s'oppose le canot de la Maria Pia, chargé de noceurs, bruyants et volontaires, qui manque de les écraser). y a-t-il image plus voluptueuse que celle de ce lit en dérive? Image profonde, car elle réunit trois idées: celle de l'amour, celle du flottement et la pensée que le désir est une force en dérive - ce pour quoi on a proposé comme la meilleure approche, sinon comme la meilleure traduction, de la pulsion freudienne (concept qui a provoqué bien des discussions) le mot même de dérive: la dérive du lieutenant Loti (sur les eaux de Salonique, dans le faubourg d'Eyoub, au gré des soirées d'hiver avec Aziyadt ou des marches de débauche dans les souterrains et les cimetières de Stamboul) est donc la figure exacte de son désir." (NEC p 184-185)

De Dérive

Als je afziet van zijn alibi's (een gedegen filosofie van de desillusie en Aziyadé zelf) zou deze roman heel modern kunnen zijn: geeft hij niet vorm aan een zeer luie rebellie, die tegenwoordig is terug te vinden in de hippie beweging? Eigenlijk is Loti een dandyeske hippie: net als hij hebben hippies een voorliefde voor ontheemding en voor verkleding. Die vorm van protest, van het zich onttrekken aan het Westen, is noch gewelddadig, noch ascetisch, noch politiek: het is welbeschouwd een dérive: Aziyadé is de roman van de Dérive. Er bestaan steden die de dérive bevorderen: ze moeten niet te groot en niet te nieuw zijn, een verleden hebben (bijvoorbeeld Tanger, een oude, internationale stad) en toch nog levendig zijn; het zijn steden waarin verschillende binnensteden vermengd zijn; steden die niet aan zelf promotie doen, luie steden, vrijetijdssteden, maar verstoken van luxe, waar ontucht heerst zonder dat die al te serieus wordt genomen: zo was waarschijnlijk het Stamboel van Loti. De stad is dan een soort stroom waar je op drijft en die je tegelijk doet afdrijven ver van de oever van de werkelijkheid: je bent er onbeweeglijk (onttrokken aan elke competitiedrang) en verbannen (onttrokken aan elke behoudende orde). Merkwaardig genoeg spreekt Loti zelf over dérive (een schaars moment van ware symboliek in dit discours zonder geheimen): voor de rede van Salonilci is het bootje waarin Aziyadé en hij hun verliefde tochtjes maken een 'drijvend bed', een 'bed dat afdrijft' (met als tegenhanger de sloep van de Maria ria, beladen met luidruchtige, vastberaden feestgangers, die hen op een haar na ramt). Bestaat er een wellustiger beeld dan dat van een bed dat afdrijft? Een diepzinnig beeld, want het brengt drie ideeën samen: het idee van de liefde, het idee van het drijven en de gedachte dat het verlangen een op drift geraakte kracht is wat ook de reden is dat men als de beste benadering, zoniet de beste vertaling, van de freudiaanse drift [Trieb] (een concept dat al heel wat discussies heeft losgemaakt) het woord dérive zelf heeft voorgesteld: de dérive van luitenant Loti (voor de rede van Saloniki, in de buitenwijk van Eyüp, tijdens de onbestemde winteravonden met Aziyadé of de ontuchtige omzwervingen in de onderaardse gewelven en begraafplaatsen van Stamboel) is dus de exacte figuur van zijn verlangen (geciteerd in Werkeleijkheidseffect p 139-140)

De vertaler Rokus Hofstede geeft in een noot een toelichting bij de term Dérive die hij in bovenstaande tekst onvertaald heeft gelaten: De term 'dérive', letterlijk de 'afdrift', het 'op drift raken', is in het Frankrijk van de jaren 1950 en 1960 in zwang geraakt onder invloed van de situationisten, in wier geschriften het wordt omschreven als een psycho-geografische techniek voor het doorkruisen van vluchtig wisselende, stedelijke omgevingen. Het zou vervlakkend kunnen worden vertaald als 'dooltocht' of 'omzwerving' (zie 'Theorie van het ronddolen', in: Rue Sauvage, situationistische teksten, redactie en vertaling René Sanders, Utrecht 1993, pp. 39-44)

Mortimer wijst erop dat Dérive ook een mogelijke Franse vertaling van Freuds Trieb (drift) zou kunnen zijn, dat standaard met "pulsion" wordt vertaald. Zij citeert Lacan die aangeeft dat Trieb beter met "drive" vertaald kan worden dan met de Engelse standaardvertaling "instinct". (Mortimer, The Gentlest Law p 95).

Hofstede wijst ook op het Fragment De Atopie uit Roland Barthes door Roland Barthes:

L'atopie

Fiché: je suis fiché, assigné à un lieu (intellectuel), à une résidence de caste (sinon de classe). Contre quoi une seule doctrine intérieure: celle de l'atopie (de l'habitacle en dérive). L'atopie est supérieure à l'utopie (l'utopie est réactive, tactique, littéraire, elle procède du sens et le fait marcher). (Barthes par Barthes, p. 53.)

De atopie

Gecategoriseerd: ik ben gecategoriseerd, ik heb een (intellectuele) plek toegewezen gekregen, een verblijfplaats in een kaste (zo niet in een klasse). Daartegen is maar één innerlijke doctrine opgewassen: die van de atopie (van de opdrift geraakte stuurhut). De atopie is superieur aan de utopie (de utopie is reactief, tactisch literair, zij komt voort uit de in en laat die functioneren). (Roland Barthes door Roland Barthes p 53-54

Met het begrip dérive maakt Barthes van de nood een deugd: de doctrine van de atopie, van de 'op drift geraakte stuurhut', is een rechtstreekse uitdrukking van sociale ontworteling en theoretische thuisloosheid, oftewel van een bestaan in het niemandsland tussen wetenschap en literatuur Barthes laat zich afdrijven, hij kiest niet." (Memo Barthes p 16x).

In het artikel Une écriture tragique citeert Serge Doubrowsky (Poetique 47, 1981) eveneens het fragment L'atopie om vervolgens het berip dérive verder uit te werken. Hij wijst op de dubbele betekenis van La Dérive:

"La dérive, où il s'agit pour l'écrivain de se constituer un habitacle, qui le défende contre les périls sans cesse menaçants de la fixité (Norme, l’idéologie, Bêtise), a une double acception. De son étymologie, derivare, détourner les eaux d'un ruisseau, écarter d'une rive, Je terme garde le sens d'un mouvement opérant à partir d'un pôle, mesurable à cet écart. Mot qui, « dérive » du grec, conséquences qui « dérivent » d'une hypothèse, « dérivée » mathématique d'une fonction: il n'est pas question d'un vagabondage du sens, d'une vadrouille, mais d'un déplacement réglé, Même le « dériver », influencé, paraît-il, par l'anglais drive, désignant l'éloignement du navire ou de l'avion par rapport à son axe, suppose une translation repérable. La « dérive » selon l'acception rimbaldienne du Bateau ivre, flottement sans direction, errance d'une épave abandonnée aux moments, mobile sans moteur propre ni direction prévisible, s'oppose antithétiquement à l'autre. (p 333-334)

La Dérive is een "mouvement mesurable à un écart" en een "mouvement irrepérable, incontrôlable" (p 339). Doubrowsky werkt vervolgens de vraag uit of het bij Barthes gaat om een al dan niet bewust of gewenst uit koers raken, het verlaten van een uitgezette richting of pad. Of is het een richting- en stuurloos wegdrijven.

Zie verder de pagina op drift

Domheid / Bêtise

In zijn lezing bij de opening van het Colloque de Cerisy-la-Salle over het werk van Barthes in 1978 benoemt Barthes enkele steeds terugkerende thema's. Een van die tema's is de Domheid:

L'image

Dans ce champ clos du langage, construit comme un terrain de football, il y a deux lieux extrêmes, deux buts qu'on ne peut jamais contourner: la Bêtise d'un côté, l'Illisible de l'autre. Ce Sont deux diamants (deux « diamants-foudres ») : internissable transparence de la Bêtise; infrangible opacité de l'Illisible.

La Bêtise n'est pas liée à l'erreur. Toujours triomphante (impossible à vaincre), son triomphe relève d'une force énigmatique: c'est l'être-là tout nu, dans sa splendeur. D'où une terreur et une fascination, celle du cadavre. (Cadavre de quoi? Peut-être de la vérité: la vérité comme morte.) La Bêtise ne souffre pas (Bouvard et Pécuchet : plus intelligents, ils souffrirent davantage). Donc, elle est là, obtuse comme la Mort. La conjuration ne peut être qu'une opération formelle, qui la prend en bloc, de l'extérieur: « La bêtise n'est pas mon fort » (M. Teste). Ce mot suffit dans un premier temps. Mais il y a un échelonnement infini des propos: ça redevient bête.
Cette mécanique des « temps » (comme on parle des temps d'un moteur), en matière de langage, est importante. Voyez les systèmes forts (Marxisme, Psychanalyse) ; dans un premier temps, ils ont une fonction (efficace) de contre-Bêtise: passer par eux, c'est se déniaiser; ceux qui refusent complètement l'un ou l'autre (ceux qui disent non, par humeur, aveuglement, entêtement, au marxisme, à la psychanalyse) ont, dans ce recoin du refus qui est en eux, une sorte de bêtise, d'opacité triste. Mais, dans un second temps, ces systèmes deviennent bêtes. Dès que ça prend, il y a bêtise. C'est là que c'est incontournable. On a envie d'aller ailleurs: Ciao ! Serviteur!

Tel texte est dit « illisible ». J'ai un rapport brûlant à l'illisibilité. Je souffre de ce qu'un texte me soit illisible, et moi j'ai été souvent accusé d'être illisible. Je retrouve ici le même affolement que me donne la Bêtise; est-ce moi? Est-ce l'autre? Est-ce l'autre qui est illisible (ou bête) ? Est-ce moi qui suis borné, inhabile, est-ce moi qui ne comprends pas? ... (L'image in: Brouissement de la langue p 39O)

The Image

In the arena of language, constructed like a football field, there are two extreme sites, two goals that can never be avoided: Stupidity at one end, the Unreadable at the other. These are two 'jewels": untarnishable transparency of Stupidity; unbreakable opacity of the Unreadable.

Stupidity is not linked to error. Always triumphant (impossible to overcome), it derives its victory from an enigmatic power: it is Dasein in all its naked splendor. Whence a terror and a fascination, that of the corpse. (Corpse of what? Perhaps of truth: truth as dead.) Stupidity does not suffer (Bouvard and Pecuchet: more intelligent, they will suffer more). Hence, it is there, obtuse as Death. Exorcism can only be a formal operation, which confronts it en bloc, from outside: "Stupidity is not my strong point" (M. Teste). This remark is sufficent for the first encounter. But there is an infinite series of remarks: "it" becomes stupid all over again.
This mechanism of different "times," in relation to language, is important. Consider the "complete" systems (Marxism, Psychoanalysis), initially they have an (effective) function of counter-Stupidity: to pass through them is to educate oneself; those who entirely reject one or the other (those who say no, on account of temperament, blindness, stubbornness, to Marxism, to psychoanalysis) nurse, in their den of rejection, a kind of stupidity, of grim opacity. But subsequently these systems themselves become stupid. Once they "take," there is stupidity. That is why it is inescapable. One feels like going elsewhere: Ciao! No, thanks!

A certain text is said to be "unreadable." I have an intense relation to unreadability: I suffer when a text seems unreadable to me, and I have often been accused of being unreadable. Here I am back at the same panic that Stupidity inspires: Is it me? Is it the other? Is it the other who is unreadable (or stupid)? Am I the one who is limited, inept, am I the one who doesn't understand? ...(The Image in: The Rustle of language p 351)

 

 

Terug naar het begin van deze pagina
20-03-2004