Paragraaf "Affirmatie" uit Het plezier van de tekst

Het plezier van de tekst: net als de simulant van Bacon kan het zeggen: zich nooit verontschuldigen, zich nooit nader verklaren. Het ontkent nooit iets: ''ik zal mijn blik afwenden, dat zal voortaan mijn enige ontkenning zijn.'


PvdT 7 / PdT 9 / OC3-II 1495

Deze paragraaf bestaat uit één fragment. In dit fragment spreekt Barthes zich uit voor de Nietschiaanse affirmatie. Het ja-zeggen.
(work in progress: verder uitwerken)

Francis Bacon

0101.
Francis Bacon (1561-1626) behoort tot de voorlopers van het Engelse empirisme. Experiment en ervaring zijn voor hem de basis van het weten (inductieve methode).

Mortimer verwijst naar Essay VI "Of Simulation and Dissimulation". In de Boom-klassiek uitgave (1978) heet dit essay "Over veinzen en verheimelijken". Ook de index van de Oeuvres Complètes geeft aan dat het citaat afkomstig is uit Essay VI.

Bacon onderscheidt in dit Essay drie trappen binnen het verbergen en versluieren van eigen bedoelingen:

  1. geslotenheid, voorbehoud en geheimhouding
  2. verheimelijking
  3. veinzen en valse verklaringen (de simulant of veinzer)

Volgens Mortimer vergist Barthes zich omdat het "ne jamais s’excuser; ne jamais s'expliquer" niet in het essay is terug te vinden. "Moreover, the person who is most likely to say never excuse, never explain, is not the simulator but the secretive person, who represents the first degree of "hiding and veiling" that Bacon identifies: "closeness, reservation, and secrecy; when a man leaveth himself without observation, or without hold to be taken, what he is." The dissimulator is the second degree, the simulator the third. (Mortimer The gentlest Law, p 43)

Ik zal mijn blik afwenden / Je détournerai mon regard

0102.
Dit citaat is vergelijkbaar met het volgende aforisme van Nietzsche uit de Vrolijke Wetenschap

Bij het nieuwe jaar.- Nog leef, nog denk ik: ik moet nog leven, want ik moet nog denken, Sum, ergo cogito: cogito, ergo sumo. Vandaag veroorlooft zich iedereen, zijn wens en liefste gedachten uit te spreken: nu, dan wil ook ik zeggen, wat ik mij vandaag van mij zelf wenste en welke gedachte dit jaar voor het eerst mijn hart beving -welke gedachte voor mij basis, borg en heerlijkheid van heel mijn verdere leven zijn moet! Ik wil steeds meer leren, het noodzakelijke aan de dingen als het schone beschouwen-zo zal ik een van diegenen zijn, die de dingen schoonheid verlenen. Amor fati: dat zij van nu af aan mijn liefde! Ik wil geen oorlog voeren tegen al wat lelijk is. Ik wil niet aanklagen, ik wil niet eens de aanklagers aanklagen. Voorbijzien zij mijn enige ontkenning! En, alles bij elkaar en in het groot: ooit wil ik nog eens uitsluitend iemand zijn, die ja zegt! (Vrolijke wetenschap Vierde boek aforisme 276, vertaling Pé Hawinkels)

»Ich will immer mehr lernen, das Nothwendige an den Dingen als das Schöne sehen: - so werde ich Einer von Denen sein, welche die Dinge schön machen. Amor fati: das sei von nun an meine Liebe! Ich will keinen Krieg gegen das Hässliche führen. Ich will nicht anklagen, ich will nicht einmal die Ankläger anklagen. Wegsehen sei meine einzige Verneinung! Und, Alles in Allem und Grossen; ich will irgendwann einmal Nur noch ein Ja-Sagender sein!«

0103
In Fragments d'un discours amoureux spreekt Barthes zich uit voor de bevestiging:

De liefde wordt op twee manieren bevestigd. Allereerst vindt er, wanneer de verliefde de ander tegenkomt, onmiddelijk bevestiging plaats (psychologisch gezien: betovering, enthousiasme, verrukking, dwaze verwachting van een gelukkig toekomst: ik word verslonden door verlangen, door de drang gelukkig te zijn): ik zeg ja op alles (met mijn ogen dicht). Dan volgt een lange tunnel: mijn eerste ja wordt aangevreten door twijfel, de verliefde waarde wordt onophoudelijk bedreigd door waardevermindering: dit is het moment van de trieste passie, het opkomen van de wrok en de opoffering. Toch kan ik de tunnel nog uit; ik kan "bovenkomen", zonder korte metten te maken; wat ik een eerste keer heb bevestigd kan ik nogmaals besvestigen zonder in herhaling te vervallen, want wat ik dan bevestig is de bevestiging, niet de bijkomstigheden: ik bevestig de eerste ontmoeting in haar verscheidenheid, ik wil dat zij terugkomt, niet dat zij herhaald wordt. Ik zeg tegen de ander (dezelfde of een nieuwe): Laten we opnieuw beginnen.
(FdA p 31 vertaling volgens Uit de taal van een verliefde, pagina 53/54)

 

0104
Nietzsches Philosophie der Bejahung
von Eva Strobel

Nietzsches Philosophie der Bejahung stösst noch immer auf hartnäckige Vorbehalte von Seiten einer Mentalität, die ihre Lektion in Sachen Aufklärung gelernt zu haben glaubt. Kritische Distanz, skeptisches Räsonnement und analytisches Urteilsvermögen gegenüber als beklagenswert empfundenen Verhältnissen scheinen in der Tat mit einem Ethos unvereinbar zu sein, das mit Verve auf ein «heiliges Ja zum Diesseits» dringt. Die grosse Weigerung mitzutun, träte also in offenen Konflikt mit dem grossen Ja-Sagen? Doch so einfach sind die Dinge nicht – wie Eva Strobel, die vor noch nicht allzu langer Zeit mit einer vorzüglichen Arbeit über Nietzsches Aphoristik reüssierte, in ihrer kleinen, doch konzentrierten Studie plausibel zu machen weiss. Indem sie Nietzsches Philosophie der Bejahung, die man wohl als den Gipfelpunkt seines Denkens auszeichnen kann, in den Kontext seines Perspektivismus wie auch der Überwindung des Nihilismus rückt, ficht sie gegen das Missverständnis einer Verwechslung von Bejahung und Affirmation. Nietzsches Ja, der eigentlich befreiende Akt vom Joch des Ressentiments, ist ohne Kritik gar nicht zu haben. Nur dass es dabei nicht stehen bleibt. Dieses Ja, so zeigt die Autorin, impliziert eine grundstürzende Verwandlung der Verhältnisse, denen ein auf deren blosse Negation zielendes kritisches Denken verhaftet bleibt.

(work in progress: verder bewerken)

Terug naar het begin van deze pagina
20-03-2004