Titel en opschrift van Het plezier van de tekst

Het plezier van de tekst

De enige hartstocht van mijn leven was de angst. Hobbes

PvdT 5 / PdT 7 / OC3-II 1493

De titel

Jane Gallop wijst in haar artikel "Feministiese kritiek en het plezier van de tekst" (tijdschrift voor vrouwenstudies 25, uit 1986) op de dubbele betekenis van de titel:

Grammatikaal is 'van de tekst' (du texte, in het frans) zowel een objektieve als een subjektieve genitief (tweede naamval). Vandaar de dubbelzinnige betekenis: de tekst is zowel objekt als subjekt van plezier. De titel betekent zowel het plezier eigen aan de tekst als ons plezier (het plezier dat de tekst verschaft). Het onderscheid is subtiel omdat het moeilijk voorstelbaar is hoe we het plezier dat in de tekst is, kunnen scheiden van het plezier dat de tekst ons geeft. De dubbele betekenis wijst op het probleem subjekt en objekt op het gebied van tekstueel plezier te scheiden. Barthes schrijft: 'Op het toneel van de tekst... is er geen subjekt en geen objekt. Door de tekst verlopen de grammatikale figuren'.

Voor Gallop is het boek een poging een theorie van de tekst uit te werken op basis van het begrip plezier, in plaats van bijvoorbeeld struktuur, cognitie of ideologie.
Het plezier van de tekst vertegenwoordigde een soort breuk met Barthes' vroegere werk: het was het begin van wat de laatste fase van zijn werk zou zijn. Gallop vervolgt:

Het objekt van dit boek is plezier, maar een nieuw objekt zou op zich geen epistemologiese breuk in Barthes' oeuvre vormen, omdat hij gedurende zijn hele loopbaan zeer uiteenlopende objekten overdacht heeft. Het nieuwe van dit boek wordt in de dubbelzinnigheid van de titel weerspiegeld, in het feit dat het objekt van dit boek (plezier) niet zomaar een objekt is. Als het op het gebied van tekstueel plezier moeilijk is subjekt van objekt te scheiden, zou dat dilemma het wel eens onmogelijk kunnen maken objektief over het onderwerp (subjekt) te schrijven.
Plezier is niet zomaar een objekt in de tekst maar iets dat met de lezer gebeurt. Struktuur bijvoorbeeld pretendeert immanent aan de tekst te zijn. Hij kan daarin bestudeerd worden en voor eens en altijd voor iedere mogelijke lezing bewezen worden. Daarmee wordt het strukturalisme een wetenschappelijke status verleend. Maar plezier is afhankelijk van de individuele lezing en dus onzeker. 'Iedereen kan getuigen', schrijft Barthes, en fundeert zijn bewering aldus niet in objektieve feiten maar in de subjektieve ervaring - 'Iedereen kan getuigen dat het plezier van de tekst niet zeker is: niets zegt dat dezelfde tekst ons een tweede keer zal behagen: het is een broos plezier, verbrokkeld door stemming, gewoonte, omstandigheid, het is een onbestendig plezier'.
Je zou kunnen zeggen dat plezier een subjektief effekt is. Wat dus nieuw is in het boek en nog duidelijker zal worden in Barthes' latere werken is de expliciete subjektiviteit van de positie van waar uit hij schrijft.
Toch zou hij dit standpunt niet subjektiviteit noemen, omdat het niet gebaseerd is op een subjekt als duurzame eenheid, maar betrekking heeft op zaken als 'stemming, gewoonte, omstandigheid'. Het heeft geen betrekking op wat de lezer in werkelijkheid, in essentie is, maar op de specifieke historiese verbinding van lezer en tekst, op kenmerken van de scène (het 'toneel', de uitvoering) van het lezen.

Steven Engels wijst eveneens op de dubbele inzet van Het plezier van de tekst: aan de ene kant geeft de tekst de basisconcepten van een esthetische theorie gecentreerd rondom de begrippoen "subject, "plezier" en "genot", aan de andere kant brengt hij de "l'ecriture du plaisir" waarover hij spreekt in de praktijk (Pour une éthique des signes, 1997, hst 3 par 4.3)

Hobbes / Hobbes

0001
Het opschrift komt terug in het fragment Angst (Peur):

"Nabijheid (identiteit?) van genot en angst. Wat in een dergelijke toenadering tegenstaat, is natuurlijk niet de gedachte dat de angst een onaangenaam gevoel is - een banaal denkbeeld - maar dat hij een middelmatig onwaardig gevoel is; hij is de winkeldochter van alle filosofieën (alleen Hobbes, geloof ik: 'de enige hartstocht van mijn leven was de angst'); de waanzin wil niets van hem weten (behalve misschien de uit de mode geraakte waanzin: de Horla), en dat verbiedt de angst modern te zijn: het is een loochening van de overschrijding, een waanzin die u bij vol bewustzijn laat. Door een laatste noodlottigheid blijft het subject dat angstig is, altijd een subject; hoogstens valt het onder de neurose (men spreekt dan van angstneurose, een voornaam, een wetenschappelijk woord: maar de angst is geen neurose)."

0002
Mortimer verwijst naar de leviathan van Hobbes (1588-1679): "Hobbes did write about fear in the context of the covenants made between individuals in the state of nature, where there are "no Arts; no Letters; no Society; and which is worst of all, continual feare, and danger of violent death" (Hobbes, Leviathan [Harmondsworth: Penguin, 1968], Part I, Chapter 13, 186). Furthermore, "The Passion to bereckoned upon, is fear" (Part I, Chapter 14,200). But the sentence Barthes quotes is in Emmanuelle, by Emmanuelle Arsan (New York: Grove Press, 1971), 137, with a minor variation. Mario is theorizing on eroticism:

If only for the pleasure of flouting our monsters. To begin with, the most hideous of all-stupidity and cowardice, those two Hydras so dear to men! To men who have never confessed themselves so well as in Hobbes' cry, truer each morning after three centuries: "The single passion of my life will have been fear!" Fear of being different. Fear of thinking. Fear of being happy. AIl those fears that are antipoetry and have become the values of the world-conformity, respect for taboos and rites, hatred of imagination, refusal of novelty, masochism, malevolence, envy, pettiness, hypocrisy, lying, cruelty, shame. "(Mortimer, The gentlest Law p41/42)

Angst / Peur

0003
Zie ook

Uit: Barthes par Barthes:

"De angst voor de taal
Bij het schrijven van zulke teksten bekruipt hem het gevoel zich schuldig te maken aan jargon, alsof hij zich niet kan onttrekken aan een vertoog dat krankzinnig is, omdat het hem eigen moet zijn: en als hij bovendien zijn leven lang de verkeerde taal heeft gekozen? Hij wordt hier (in U.) des te heviger door deze paniek overvallen, omdat hij 's avonds de deur niet uitgaat en veel televisie kijkt: aan een stuk door wordt hem een gangbare taal gepresenteerd (voorgehouden), waarvan hij is afgesneden; deze taal interesseert hem wel, maar dat is niet wederkerig: het publiek van de televisie zou die taal van hem volslagen irreëel vinden (en afgezien van het esthetische genot loopt elke irreële taal de kans belachelijk te zijn). Zo Ziet het wegvallen van de taalenergie eruit: eerst een tijd lang luisteren naar de taal van de anderen en uit deze distantie een soort veiligheid puren; en dan de tijd daarna twijfelen aan deze afzondering: bang zijn voor wat men zegt (wat onafscheidelijk is gekoppeld aan de manier waarop men het zegt).

Over wat hij overdag heeft geschreven krijgt hij s nachts angsten. De nacht haalt op fantastische wijze heel het imaginaire van het schrijven terug: het beeld van het produkt, de kritische (of vriendschappelijke) roddelpraat: het is te veel dit het is te veel dat, het is niet genoeg 's Nachts komen, in drommen, de adjectieven terug." p 115-116

La peur du langage
Écrivant tel texte, il éprouve un sentiment coupable de jargon, comme s'il ne pouvait sortir d'un discours fou à force d'être particulier: et si toute sa vie, en somme, il s'était trompé de langage? Cette panique le prend d'autant plus vivement ici (à D.) que, ne sortant pas le soir, il regarde beaucoup la télévision: sans cesse il lui est alors représenté (remontré) un langage courant, dont il est séparé; ce langage l'intéresse, mais ce n'est pas réciproque: au public de la télévision, son langage, à lui, paraîtrait entièrement irréel (et hors de la jouissance esthétique tout langage irréel a chance d'être ridicule). Telle est la retombée de l'énergie langagière: dans un premier temps, écouter le langage des autres et tirer de cette distance une sécurité; et dans un second temps, douter de cette retraite: avoir peur de ce qu'on dit (indissociable de la manière dont on le dit).

Sur ce qu'il vient d'écrire dans la journée, il a des peurs nocturnes. La nuit, fantastiquement, ramène tout l'imaginaire de l'écriture: l'image du produit, le potin critique (ou amical) : c'est trop ceci, c'est trop cela, ce n'est pas assez... La nuit, les adjectifs reviennent, en masse. (BpB 118-119)

In zijn lezing bij de opening van het Colloque de Cerisy-la-Salle over het werk van Barthes in 1978 benoemt Barthes enkele steeds terugkerende thema's. Als eerst thema noemt hij direct al de angst. Ik geef de opening van de lezing hieronder weer:

L'image

Il se trouve que ceci, qui a été préparé il y a quelques jours, hâtivement, aura l'air de copier ce qui a été dit depuis et que vous pourrez reconnaître au passage. C'est un rappel de thèmes persistants, mis dans une certaine perspective: la perspective de mon actualité en tant qu'elle est inactuelle.

A l'origine de tout, la Peur. (De quoi? Des coups, des humiliations ?) Parodie du Cogito, comme instant fictif où, tout ayant été rasé, cette tabula rasa va être réoccupée: «J'ai peur, donc je vis. » Une remarque: selon les murs d'aujourd'hui (il faudrait une éthologie des intellectuels), on ne parle jamais de la peur: elle est forclose du discours, et même de l'écriture (pourraitil y avoir une écriture de la peur ?). Placée à l'origine, elle a une valeur de méthode; d'elle, part un chemin initiatique. (L'image in: Brouissement de la langue p 389)

The Image

It so happens that this text, prepared in haste a few days ago, will seem to copy what has been said subsequently and what you may recognize in passing. It is a review of persistent themes, put in a certain perspective: the perspective of my reality insofar as it is unreal.

At the origin of everything, Fear. (Of what? Of blows, of
humiliations?) Parody of the Cogito as the fictive moment when, everything having been "razed," this tabula rasa will be reoccupied: "I'm afraid, therefore I'm alive." An observation: According to today's mores (we need an ethology of intellectuals), one never speaks of fear: it is foreclosed from discourse, and even from writing (could there be a writing of fear?). Posited at the origin, it has a value as method; from it leads an initiatic path. (The Image in: The Rustle of language p 350)

Zie ook de paragraaf angst

Terug naar het begin van deze pagina
15-07-2004