home Barthes notities Tel Quel

Tel Quel - Notities bij Het plezier van de tekst

work in progress

Het merendeel van het werk van Barthes, waaronder Le plaisir du texte, is uitgegeven in de serie "collection Tel Quel". Deze door Seuil uitgebrachte serie was verbonden aan het avant-garde tijdschrift Tel Quel dat artikelen publiceerde over literatuur, filosofie, kunst, politiek en wetenschap. Stichter van het tijdschrift en de collectie was Philippe Sollers.

Het tijdschrift Tel Quel is in 1960 opgericht en werd al snel een van de meest invloedrijke tijdschriften binnen de Franse intellectuele beweging. In Tel Quel verschenen publicaties van ondermeer Roland Barthes, Georges Bataille, Jacques Derrida, Jean-Pierre Faye, Michel Foucault, Gerard Genette, Julia Kristeva, Bernard-Henri Lévy, Marcelin Pleynet, Philippe Sollers, en Tzvetan Todorov. In 1982 verscheen het laatste nummer. Het tijdschrift is opgevolgd door het tijdschrift l'infini

In zijn Histoire de Tel Quel schrijft Philippe Forest het volgende:

En mars 1960 paraît aux Éditions du Seuil le premier numéro d'une revue trimestrielle, Tel Quel Pendant plus de deux décennies, elle sera la principale revue de l'avant-garde littéraire et théorique, au long d'une histoire qui reste marquée par une longue série de manifestes radicaux, de débats houleux, de contre-attaques et de changements de caps âprement discutés. Elle sera également jalonnée d'exclusions et de démissions retentissantes.
Dès 1963, la revue s'enrichit d'une collection de livres avec trois parutions simult_nées: un Philippe Sollers, un Denis Roche et La première Education sentimentale de Flaubert.
A travers Tel Quel toute l'histoire intellectuelle récente apparaît avec ses lignes de force et ses zones de fracture: nouveau roman, nouvelle critique, nouvelle philosophie; linguistique et psychanalyse; structuralisme et maoïsme. C'est ainsi que, parmi ceux qui figurèrent au comité de rédaction de la revue, on peur citer: Philippe Sollers, Jean-Edern Hallier, Jean-René Huguenin, Jean Ricardou, Jean Thibaudeau, Michel Deguy, Marcelin Pleynet, Denis Roche, Jean-Louis Baudry, Jean Pierre Faye, Jacqueline Risset, Julia Kristeva. Et, parmi ceux qui collaborèrent à Tel Quel: Francis Ponge, Roland Barthes, Michel Foucault, Jacques Derrida aussi bien qu'Umberto Eco ou Gérard Genette, Pierre Boulez ou JeanLuc Godard, Bernard-Henri Lévy ou Pierre Guyotat.
Jamais, depuis le surréalisme, une avant-garde littéraire n'avait à ce point rêvé d'une révolution qui serait à la fois poétique, théorique et politique. Durant ces vingt-deux années d'agitation - Tel Quel disparaît en 1982, avec sa quatre-vingt quatorzième livraison - ce mouvement si controversé n'aura cessé de poser une question toujours d'actualité: celle des pouvoirs subversifs de la pensée et de la littérature.(tekst achterflap)

Teun A. van Dijk wijdt in zijn bundel Taal, Tekst, Teken, bijdragen tot de literatuurtheorie (Atheneum-Polak & Van Gennep, 1970) een artikel aan Tel Quel en het Telquelisme. Het artikel is van januari 1968 en geeft dus vooral een beeld van de beginperiode van het tijdschrift. Hieronder citeren we uitbundig uit dit artikel (pagina 225-237):

"Onder de belangrijkste literaire tijdschriften in Frankrijk neemt Tel Quel een opzienbarende plaats in. Het prestige dat het in acht jaar heeft weten op te bouwen gaat, vooral in de universitaire wereld, dat van de andere te boven. Dit komt vooral door de veelvuldige eksperimenten met nieuwe literatuurvormen en door de bijzondere aandacht voor de literair-teoretiese aspekten van het kunstwerk. Aan de andere kant is het niet zo dat Tel Quel een daverende populariteit geniet: een oplaag van 4000 doet een publiek van 'fijnproevers' vermoeden; de schrijvers die de redaktie vormen en die voornamelijk het blad vullen staan niet bepaald als gemakkelijke auteurs bekend -en dit geldt zowel voor hun essays als voor hun literaire teksten. Publiciteit krijgen zij echter genoeg, al was het alleen maar als reaktie op een welhaast 'superieure' stellingname tegen andere tijdschriften en tegen schrijvers die niet in hun canon zijn opgenomen; tenslotte brengt een veelvuldige eliminering van niet langer als ortodoks geldende redaktieleden het tijdschrift vaak in het nieuws. Philippe Sollers is de enige van de oorspronkelijke redaktie van 1960 die zich nog heeft weten te handhaven.
[.]
We geven eerst het woord aan de reklame. Het foldertje van de Editions du Seuil vermeldt: 'TEL QUEL is het eerste belangrijke tijdschrift dat uitsluitend door jonge schrijvers wordt geleid. Het brengt een nieuw krities standpunt over de literatuur van gisteren en van vandaag en wijst de weg aan de literatuur van morgen. Naast gedichten, essays en novellen publiceert het belangrijke "inédits" van beroemde schrijvers en de beste teksten van eigentijdse auteurs.' De pretentie van deze regels is niet alleen aan de kode van de reklametaal te wijten: namen als Artaud, Bataille, Michaux, Ponge, etc. zijn regelmatig op het omslag te vinden. Bovendien essays van beroemdheden als Jakobson, Barthes en Derrida. Tenslotte vertalingen van (en essays over) een selekt groepje klassieken: Dante, Donne Góngora, Sade, Mallarmé, Joyce, Rilke, ete. Veel nieuwe, onbekende, schrijvers komen helaas niet aan bod; er wordt vooral gewed op de genieën, al zijn dat niet altijd dezelfde als die van de schoolboekjes: Lautréamont bijvoorbeeld.
[.]
De Déclaration die het eerste nummer (1960) inleidt voorspelt in sommige opzichten het programma van het twee jaar jongere Merlyn bij ons: de belangstelling gaat in de eerste plaats uit naar het literaire werk zelf en naar de autonomie van de analyse. De naam Tel Quel heeft zich in die jaren in Frankrijk dan ook vereenzelvigd met een bestudering van de literatuur 'tel quel', een traditie voortzettend die al bijna vijftig jaar eerder door de russiese Formalisten en later door de amerikaanse 'new-critics' en engelse 'closereaders' was begonnen. Frankrijk komt in dit opzicht kennelijk nogal achteraan sukkelen, ondanks de teoretiese opmerkingen van iemand als Valéry, van wie trouwens twee aforismen-bundels Tel Quel heten, en ondanks de respektabele traditie van de 'explication de texte'.
De Déclaration definieert in de eerste plaats een anti-ideologiese houding tegenover het kunstwerk -en tegenover de wereld: 'de ideologen hebben zo lang de literaire ekspressie beheerst dat deze zich eindelijk kan veroorloven hun gezelschap te verlaten en zich verder bezig te houden met zichzelf, met haar eigen bestemming en haar eigen specifieke wetten.' Dit eksklusieve standpunt, dat de 'poëzie de belangrijkste plaats van de geest toekent', heeft veel kwaad bloed gezet in Frankrijk, dat juist zijn oorlog met Algerije trachtte uit te vechten.
[..]
Een dergelijk standpunt werd ook tegenover de 'wereld' ingenomen. Gehoorzamend aan een citaat van Nietzsche dat op de eerste bladzijde prijkt, probeert men in de wereld van dingen en gebeurtenissen 'krachtens een bijzondere gewaarwording, het belang te hervinden dat deze wereld verdient, deze wereld zoals hij is (tel quel), en de oneindige uitgestrektheid van zijn rijkdom en zijn mogelijkheden'. We zijn hier voorshands nog ver verwijderd van het reeds door de surrealisten gepropageerde marxistiese adagium 'verander de wereld!', dat in een latere ontwikkeling van het blad zal gaan meespelen.
[.]
Naast de 'poëzie' (of liever: teksten) van Ponge interesseerde Tel Quel zich in hoge mate voor de sterk daarmee verwante technieken van de Nouveau Roman, waarvan het -tot voor kort- één der belangrijkste voorvechters was. In het eerste nummer staat het begin van Claude Simons La route des Flandres, een nouveau roman bij uitstek.
[..]
Maar sinds de nieuwe roman ook door de publieke opinie niet meer helemaal als een Fremdkörper beschouwd wordt en hij, hoewel weinig gelezen, geïntegreerd werd in de 'traditie', zijn de telquelisten wat voorzichtiger met hun reklame geworden en gingen zij hun aandacht op andere onderwerpen vestigen -vooral na het bekende 'debat over de roman' in nr. 17 (1964).
[.]
In een interview met Roland Barthes (nr. 7) wijst deze erop dat het niet langer mogelijk is voor een tijdschrift 'indirekt' te schrijven en zo 'de wereld te missen', en hij vraagt vervolgens waarom Tel Quel zich niet zou engageren.
In de bekende 'opschorting van het oordeel', dat hij kenmerkend acht voor het Telquelisme, ziet hij niet een onschuldige objektiviteit maar een gevaarlijke keuze (het sartriaanse 'niet kiezen is ook een keus' klinkt hier door).
[.]
De dichter Marcelin Pleynet preciseert in een volgend nummer (8) nogmaals het standpunt van Tel Quel -hier wat betreft de poëzie: 'Natuurlijk staat de dichter niet vreemd tegenover de politieke gebeurtenissen, maar men ontkomt er niet aan te konstateren dat de poëzie het meestal over iets anders heeft-dat zij "opzij spreekt" ... voor haar is de gebeurtenis nooit daar waar deze de geschiedenis raakt, maar eerder bij het ontstaan van die gebeurtenis.' Verder benadrukt hij de realiteit van het taalgebeuren, ja voor hem en de meeste redaktiegenoten bestaat er slechts een werkelijkheid in de taal, aangezien werkelijkheid altijd perceptie en interpretatie van werkelijkheid is, een waarneming die op haar beurt een denk- of liever taalhandeling is, d.w.z. het 'zeggen' van de realiteit is, in de literatuur, de enige mogelijkheid haar weer te geven of beter: te 'maken'. Overigens is dit literaire 'zeggen' op z'n minst een vertekening van de werkelijkheid, een probleem dat tijdens het romandebat herhaaldelijk ter tafel kwam.
[.]
Een typies intellektuele nieuwsgierigheid naar het 'hoe is het zo geworden' (niet naar de 'kausaliteit') doet de telquelisten nadenken over het fenomeen van de kreativiteit. De workshop van de schrijver komt in het middelpunt van de belangstelling, hetgeen blijkt uit publikatie van aantekeningen en teorieën van beroemde schrijvers: Pound, Eliot, Borges, Olson ('Projective Verse'), etc., terwijl zij zelf aan de probleemstelling mee doen door talrijke 'metateksten', gedichten, prozastukken, essays, over het schrijven van de tekst. Een uiterst belangrijk en zeer kompleks sleutelwoord in dit verband is de term écriture. Een uiteenzetting van dit begrip zou een artikel op zichzelf vergen, te meer daar het niet alleen verband houdt met het schrijven of maken van literatuur, maar ook met de teorie van het 'schrift' en de schrijftaal aan de ene kant en met een speciale opvatting over Geschiedenis (sociaal en literair) aan de andere kant. De belangstelling van de schrijver voor de teorie van het kreatief schrijven is kenmerkend voor een belangrijke tendens in de 20e-eeuwse literatuur (Joyce, Proust, Eliot, etc.) en krijgt in Nederland o.a. bij de latere Kouwenaar veel aandacht. In Frankrijk zet deze interesse voor de 'écriture' eigenlijk de teorieën van Breton over de 'écriture automatique' voort, met dit verschil echter dat de telquelisten meer de nadruk leggen op het bewuste, intellektueel-spirituele 'maken' (poiein) van de tekst in tegenstelling tot het intuïtieve automatisme van de surrealistiese eksperimenten. Evenwel, met hun groeiende belangstelling voor nieuwere opvattingen over de psycho-analyse krijgt ook het onbewuste bij de telquelisten weer nadruk.
[.]
De schrijver bevestigt zijn specificiteit, zijn bestaan, juist door zijn produktiviteit, zijn tekst-fabrikatie. Deze 'daad' geeft de 'schrijver' zijn autonomie in de samenleving, terwijl het 'artistiek produkt' zo pas goed een werk 'tel quel' kan worden. Het 'ten dienste stellen' en 'gebruiken' van dat produkt in de sociale kringloop, zoals dat door de vulgair-marxisten wordt gepropageerd, wijzen de telquelisten resoluut van de hand: de schrijver moet volgens hen niet 'meepraten' en de taal (ideologie) van de bestaande orde nabauwen, maar zijn taalprodukt moet tegelijkertijd ontkenning, revolutie en vernietiging van de bestaande taaluitingen zijn. Deze tema's vinden we in veel vormen (die elkaar soms gedeeltelijk tegenspreken) in prakties alle teoretiese stukken van Tel Quel terug. In hetzelfde kader ligt de belangstelling voor schrijvers als Bataille en Blanchot voor wie ook de filosofie van de literaire kreativiteit centraal stond.
[.].
Kenmerkend (en niet alleen voor hen) is hun opvatting van de tekst als een 'wereld van woorden' in de meest letterlijke zin. De betekenis van de woorden, we hebben het al gezegd, staat slechts in relatie met die van andere woorden in de tekst (syntagmaties verband) en met de woorden die door haar associatief kunnen worden opgeroepen (paradigmaties verband). De refererende relatie met de dingen buiten de taal, zoals die in de gewone omgangstaal wordt ervaren, wordt door hen als irrelevant afgewezen: de tekst is een autonome, koherente en gesloten taal-werkelijkheid. Hoogstens kan verwezen worden, meestal impliciet, naar andere 'teksten', of liever: naar één grote Tekst die 'Literatuur' heet, waarvan de tekst in kwestie een deel vormt en waartegen hij zich afzet.
[.]
Men ziet dat de kreatieve tekst en het essay in feite door elkaar gaan lopen, en inderdaad proberen de telquelisten de grenzen tussen de traditionele genres te vervagen en nog slechts één grote vorm van schrijven te erkennen, nl. de 'écriture' waarvan het resultaat 'texte' heet. Een kreatieve tekst als de roman kan dan nog eventueel gedifferentieerd worden door een aanduiding als 'fiction'. Alleen de titels van hun werken al doen een opzettelijke vermenging van genres vermoeden. Een roman van Sollers heet Drame; een bundel van Pleynet Les lignes de la prose; een bundel van Denis Roche Récits complets. Michel Robic spreekt simpelweg van 'Texte' (30). Zo wordt zelfs de schilderkunst als een 'tekst' beschouwd. Sollers geeft een 'Lecture de Poussin' (nr. 5), terwijl veel andere studies over schilderkunst (bv. van de Magny: 'Eléments pour un éloge de la peinture littéraire', nr. 8) voorbeelden van 'close reading' lijken. De relatie met pop-art ligt al gauw voor de hand: Jean Thibaudeau schreef zelfs een 'Réportage d'un match international de football' (nrs. 8 en 9) die bovendien voor de radio werd uitgezonden.
[.]
Maar 'écriture' is méér dan het schrijven of kreëren van literatuur. Een meer pregnante betekenis van het begrip was al door Roland Barthes in zijn Degré zéro de l'écriture (1953) uitgewerkt. Voor hem ligt de 'écriture' tussen de a priori gegeven vormen van taal (bepaald door tijd en kultuur) en 'stijl' (bepaald door de persoonlijkheid): 'taal en stijl zijn blinde krachten; het 'schrijven' is een daad van historiese solidariteit. Taal en stijl zijn voorwerpen, het 'schrijven' is een funktie: het is de relatie tussen scheppen en maatschappij, het is de literaire taal omgevormd door haar sociale bestemming, het is de vorm gevat in zijn menselijke bestemming en gebonden aan de grote krises van de geschiedenis'. (blz. 17) Deze betrokkenheid van het 'schrijven' op de 'Histoire', d.w.z. de sociale geschiedenis, markeert vooral de latere ontwikkeling van Tel Quel. In een beschouwing over het leven van de literaire tijdschriften in Frankrijk formuleert Pleynet heel ekspliciet: 'Het literaire werk moet, en vandaag meer dan ooit, de kulturele struktuur (die ook een sociale struktuur is), waarin het zijn plaats tracht in te nemen, in aanmerking nemen en haar begrijpen' (22). Nummer 31 (najaar 1967) opent met een zeer ingewikkeld 'Programme' van de hand van Sollers. Hij schrijft: 'Une théorie d'ensemble pensée à partir de la pratique de l'écriture demande à être élaborée.' Ook door hem wordt de 'écriture' beschouwd als een kracht van historiese doorbraak en 'contestation' in het geheel van teksten. Deze 'écriture textuelle' heeft slechts bestaansrecht voor zover zij de traditionele taal en literatuur weet te 'vernietigen' gedurende een proces van konstante transformatie. Slechts een wetenschappelijke aanpak zal kunnen komen tot de nodige formalisering van de teorie van deze 'pratique' (ook dit woord heeft een speciale, marxisties getinte, betekenis en komt vaak terug in de laatste nummers van Tel Quel).
[..]
De nauwe relatie tussen literatuur en wetenschap (we hadden het al over de linguïstiek) wordt vooral de laatste tijd sterk benadrukt. Soms draagt Tel Quel de ondertitel 'Linguistique / Psychanalyse / Littérature' of 'Science / Littérature'.
[.]
Een andere, relatief jonge, tak van wetenschap waar Tel Quel zich sinds kort aan wijdt is de semiologie (= semiotiek) of algemene tekenleer. Zij passen deze, metodies sterk aan de taalwetenschap verwante, discipline vooral toe op de literatuur en de filosofie.
[.]
Als hun grote leermeester beschouwen de telquelisten de filosoof Jacques Derrida in wiens boek De la Grammatologie (1967) interessante dingen worden gezegd over het begrip 'écriture' dat hen zo ter harte gaat.
[.]
Ook de literaire teksten in Tel Quel, naast de semiologiese essays van Julia Kristeva en Derrida (nrs. 29 en 32), sluiten in sommige opzichten aan bij bepaalde elementen uit deze teorie. De formele typografiese 'voorstelling' van de tekst gaat een essentiële plaats innemen, bv. in de 'roman' Compact van Maurice Roche en in een tekst ('clandestinité/prix') van Michel Robic (nr. 31) die zijn proza-tekst doorweeft met een bijna verwarrend geheel van strepen, pijlen en allerlei andere typografiese tekens. De funktie van die tekens is vooralsnog niet erg duidelijk, en het lijkt dan ook het verstandigst zulke teksten als eksperimenten te beschouwen totdat men hun 'taal' heeft leren begrijpen.
[..]
Uit onze hele uiteenzetting zal gebleken zijn dat de teorieën van een blad als Tel Quel niet altijd scherp omlijnd zijn of uitblinken in ekspliciete duidelijkheid. De manier van schrijven is vaak uitermate indirekt, krypties en allusief, hetgeen natuurlijk voor een groot deel ligt aan de nieuwheid van de gebruikte termen of aan de pregnante betekenis van oude koncepten, maar ook aan de gewild 'literaire' vormgeving van de essays. De 'clarté française' heeft bij de meeste van de telquelisten voor goed afgedaan als een ideologiese myte, omdat zij niet wensen te opteren voor de opzettelijke naïveteit van een heldere teoretiese uiteenzetting. En dit geldt a fortiori voor hun kreatieve teksten.

Rest ons nog te benadrukken hoe origineel hun 'teorieën' (in die vorm) zijn vergeleken met die van de literaire tijdschriften in (naast Critique misschien) en buiten Frankrijk. Hoewel zij op het gebied van de teorie een voorbeeld geven dat (ook in ons land) navolging verdient, moet helaas gezegd worden dat er wat betreft hun kreatieve werk niet altijd veel revolutionair 'écriture' uit de bus komt. Door rond te blijven draaien in het kringetje van de teorie missen ze al gauw de dialektiese beweging die hun teksten de stoot zouden moeten geven om in een volgend stadium te komen van de 'Tekst' die 'Literatuur' heet."

Johanna Bossinade schetst in haar boek Poststrukturalistische Literaturtheorie (Metzler, 2000) de positie van Tel Quel in het debat over structuralisme en post-structuralisme.

"Die Manifeste der strukturkritischen Bewegung begannen um die Mitte der 60er Jahre zu erscheinen. Von der Anthropologie structurale (1958) als dem Grundbuch des französischen Strukturalismus sind sie nur um wenige Jahre getrennt. Zunächst wäre Lacans Textsammlung Écrits (1966) zu nennen, die aber größtenteils auf ältere Arbeiten zurückgeht und die Schwelle zwischen Strukturalismus und Poststrukturalismus markiert. Es folgen Foucaults Les mots et les choses (1966), Derridas De la grammatologie (1967), Kristevas Recherches pour une semanalyse (1969) und die Literaturstudie S/Z von Roland Barthes (1970). Die Welle der feministischen Buchpublikationen setzte etwas später, um die Mitte der 70er Jahre ein. 1974 kam, als wohl wichtigster Text dieser Art, das der verdrängten Differenz des Weiblichen gewidmete Buch Speculum de l'autre femme von Luce Irigaray heraus. Mit dem Topos vom doppelten Ort der Frau, dem Postulat einer Durchquerung des Diskurses, der Deutung der Hysterie als Protest und der Praxis einer mimetischen Schrift führte die Autorin wirkungsmächtige Strategeme in den modernen Feminismus ein.

Was die erwähnten Bücher bei aller Verschiedenheit verbindet, ist die Kritik an Repräsentationsansprüchen im Namen des Differenten, Pluralen, Alteritären. Auf Seiten der sozialen Bewegungen lauteten die Parolen eher 'anti-autoritär' oder 'emanziparorisch'. Das Differenzdenken stand nicht im Widerspruch dazu, suchte aber gleichsam 'hinter' die soziologisch beschreibbare Ebene zu kommen. Mit der Repräsentationsfunktion der Sprache schien eine Art gemeinsamer Hauptfeind gefunden. Selbst Derridas augenscheinlich so abstrakter »differance« -Text (1968) macht die Stoßrichtung klar. Der Spaltungseffekt der Schrift wird gegen die Autorität des Bewusstseins geführt: »La mise en question de l'autorite de la conscience est toujours differentiale« (in: Tel Quel, Ensemble, 57). Der politische Einfluss des repräsentationskritischen Denkens freilich ist zweifelhaft. Der- Literaturtheoretiker Terry Eagleton formuliert es unverbrämt so: »Unfähig, die Strukturen der staatlichen Macht zu brechen, stieß der PoststruktUralismus auf die Möglichkeit, statt dessen die Strukturen der Sprache zu untergraben« (Eagleton 1997, 127).

Ein Brennglas des intellektuellen Protests und richtungweisend in Sachen Literaturtheorie war die Zeitschrift Tel Quel, um die sich die 'Groupe d' etudes theoriques' geschart hatte. Die Zeitschrift erschien von 1960 bis 1983 in Paris. Der Redaktion gehörten mehrere Personen, von 1970 bis 1983 auch Julia Kristeva an. Angegliedert war die von dem Schriftsteller Philippe Sollers betreute Buchreihe Collection 'Tel Quel', in der Arbeiten von unter anderen Barthes, Genette, Derrida, Kristeva, Macciocchi und Sollers selbst publiziert wurden. Das Interesse der Gruppe richtete sich auf Autoren der europäischen Avantgarde wie Mallarme, Artaud, Bataille, später auch Joyce und Beckett.

1965 erschien unter dem Titel Theorie de la litterature ein Sammelband mit von Tzvetan Todorov übersetzten Texten der russischen Formalisten. Bis zu diesem Datum war der Tel Quel-Kreis den Ideen einer strukturalistischen Wissenschaft zugeneigt. Danach trat eine Kursänderung ein, die die Abwendung von der Kommunistischen Partei Frankreichs und eine kurzfristige Hinwendung zur maoistischen Bewegung in China mit einschloß. Ziel der Gruppe war es fortan, zu einer 'Ent-Bourgeoisierung' der sozialen Kommunikationssysteme beizutragen. Es galt eine Politik zu fördern, die auf dem Dynamismus einer nicht-repräsentativen Schrift beruhte. Mit diesen Worten umschrieb Sollers das Projekt im Vorwort zu dem Band Theorie d'ensemble, der termingerecht im Epochenjahr 1968 von der Presse kam.

Der Theorie d'ensemble-Band von 1968 stellte mit die Weichen für das Denken 'nach dem Strukturalismus'. Die Beiträge enthalten Reflexionen über Freud, Marx, Sade, Lenin, daneben wird ein starker Akzent auf sprach- und literaturtheoretische Fragen gelegt. Zwei der Texte konnten schon bald als Programmschriften der poststrukturalen Bewegung gewertet werden. Es sind der philosophiekritische Aufsatz "La differance" von Jacques Derrida (s. Kap. II.3.5) und die wissenschaftskritische Studie "La semiologie: science critique et/ou critique de la science" (s. Kap. III.2.3) von Julia Kristeva. Die Texte arbeiten mit Formeln, die die weitere Theoriediskussion prägen sollten. Die metaphysische Tradition des Denkens, Strukturalismus inklusive, wird zurückgewiesen, da sie die Aufmerksamkeit auf Seiendes fixiere und die basalen generativen Prozesse missachte. Gemäßder alternativen Sicht sollten Texte nicht als Produkt der Warenökonomie, sondern als 'écriture' und 'productivité', als Produktionsprozesse gelesen werden, die durch die Gesetze des Marktkapitalismus verdrängt würden." (p 8-9)

Boeken over Tel Quel:

Collectie Tel Quel

In de collectie Tel Quel vinden we ondermeer de volgende boeken terug:

 

email

contact

wie ben ik